Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Job 29:1-25

29  Toen hief Job opnieuw zijn spreukachtige rede aan en zei vervolgens:   „O dat ik was als in de maanmaanden van weleer,+Als in de dagen toen God* mij behoedde;+   Toen hij zijn lamp op mijn hoofd liet schijnen,[Toen] ik [door de] duisternis placht te wandelen bij zijn licht;+   Net zoals ik nog was in de dagen van mijn bloeitijd,+Toen de vertrouwelijke omgang met God in mijn tent was;+   Toen de Almachtige nog met mij was,[Toen] mijn bedienden rondom mij waren!   Toen ik mijn schreden waste in boter,En de rots stromen olie voor mij bleef uitgieten;*+   Toen ik uitging naar de poort bij de stad,+Op het openbare plein zette ik dan mijn zetel klaar!+   De jongens zagen mij en verborgen zich,En zelfs de bejaarden rezen op, zij stonden.+   Vorsten zelfs hielden woorden in,En de handpalm plachten zij op hun mond te leggen.+ 10  Ja, de stem van de leiders verborg zich,En hun tong, die kleefde aan hun gehemelte.+ 11  Want het oor zelf luisterde en prees mij voorts gelukkig,En het oog zelf zag en legde voorts getuigenis voor mij af. 12  Want ik verloste altijd de ellendige die om hulp schreeuwde,+En de vaderloze jongen en ieder die geen helper had.+ 13  De zegen+ van wie op het punt stond om te komen — die kwam gewoonlijk op mij,En het hart van de weduwe maakte ik altijd vrolijk.+ 14  Met rechtvaardigheid bekleedde ik mij, en zij bekleedde mij.+Mijn gerechtigheid was als een schoudermantel — en een tulband. 15  Ogen werd ik voor de blinde;+En voeten was ik voor de kreupele. 16  Ik was een echte vader voor de armen;+En het rechtsgeding van wie ik niet kende — ik onderzocht het altijd.+ 17  En steeds brak ik de kaken van de kwaaddoener,+En uit zijn tanden rukte* ik dan de prooi. 18  En ik placht te zeggen: ’In mijn nest* zal ik de laatste adem uitblazen,+En als de zandkorrels zal ik [mijn] dagen vermenigvuldigen.+ 19  Mijn wortel staat open voor het water,+En de dauw zelf zal op mijn grote tak overnachten. 20  Mijn heerlijkheid is fris bij mij,En mijn boog in mijn hand zal herhaaldelijk schieten.’ 21  Naar mij luisterde men; en men wachtte,En men bleef dan zwijgen in afwachting van mijn raad.+ 22  Na mijn woord spraken zij voorts niet weer,En op hen druppelde dan mijn woord.+ 23  En zij wachtten op mij als op de regen,+En hun mond openden zij wijd voor de lenteregen.+ 24  Ik lachte hun altijd toe — zij geloofden [het] gewoonlijk niet —En het licht van mijn aangezicht+ wierpen zij voorts niet terneer. 25  Ik koos voor hen altijd de weg uit, en ik zat dan als hoofd;En ik vertoefde als een koning onder [zijn] troepen,+Als iemand die de treurenden troost.+

Voetnoten

„God.” Hebr.: ʼElōʹah.
Lett.: „als stromen olie bij mij (in mijn nabijheid) werd uitgegoten.”
„Rukte”, door een geringe correctie; M: „wierp.”
„In mijn nest.” Mogelijk: „Op mijn oude dag”, in overeenstemming met LXX.