Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Job 27:1-23

27  Toen hief Job opnieuw zijn spreukachtige rede aan+ en zei vervolgens:   „Zo waar God* leeft,+ die mijn recht heeft weggenomen,+ En zo waar de Almachtige [leeft], die mijn ziel bitter heeft gemaakt,+   Zolang mijn adem nog ten volle in mij is, En de geest van God* in mijn neusgaten is,+   Zullen mijn lippen geen onrechtvaardigheid spreken En zal mijn eigen tong geen bedrog mompelen!   Het is van mijn zijde ondenkbaar dat ik ulieden rechtvaardig zou verklaren!+ Totdat ik de laatste adem uitblaas, zal ik mijn rechtschapenheid niet van mij laten wijken!+   Aan mijn gerechtigheid heb ik vastgehouden, en ik zal ze niet laten varen;+ Mijn hart zal [mij] niet honen om een van mijn dagen.+   Mijn vijand worde in elk opzicht een goddeloze,+ En degene die tegen mij in opstand komt, werkelijk een kwaaddoener.   Want wat is de hoop van een afvallige ingeval hij [hem] afsnijdt,+ Ingeval God* zijn ziel van hem wegvoert?+   Zal God* zijn luide geroep horen Ingeval er benauwdheid over hem komt?+ 10  Of zal hij in de Almachtige heerlijke verrukking vinden? Zal hij te allen tijde tot God roepen? 11  Ik zal ulieden onderrichten door de hand Gods; Wat bij de Almachtige is, zal ik niet verhelen.+ 12  Ziet! GIJZELF hebt allen visioenen gezien; Waarom betoont GIJ U dan zo uitermate ijdel?+ 13  Dit is van Godswege het deel van de goddeloze mens;*+ En het erfdeel van de tirannen zullen zij van de Almachtige zelf ontvangen. 14  Indien zijn zonen talrijk worden, is het voor een zwaard;+ En zijn nakomelingen zelf zullen niet voldoende voedsel* hebben. 15  Zijn eigen overlevenden zullen tijdens een dodelijke plaag* begraven worden, En hun eigen weduwen zullen niet wenen.+ 16  Al zou hij zilver ophopen als louter stof, En zou hij kledij bereiden als was ze leem, 17  Hij zou [die] bereiden, maar de rechtvaardige zou degene zijn die zich [ermee] bekleedt,+ En de onschuldige zou degene zijn die een aandeel heeft in het zilver. 18  Hij heeft zijn huis gebouwd als louter een mot, En als een hut+ die door een wachter is gemaakt. 19  Rijk zal hij zich neerleggen, maar er zal niets vergaderd worden;* Zijn ogen heeft hij geopend, maar er zal niets zijn.+ 20  Als wateren* zullen plotselinge verschrikkingen hem overvallen;+ ’s Nachts zal een stormwind hem stellig wegstelen. 21  Een oostenwind zal hem wegvoeren+ en hij zal heengaan, En die zal hem wegstormen van zijn plaats.+ 22  En die zal zich op hem werpen en geen mededogen hebben;+ De kracht ervan zal hij zonder mankeren trachten te ontlopen.+ 23  Men zal over hem in de handen klappen+ En hem nafluiten+ vanuit zijn plaats.*

Voetnoten

„God.” Hebr.: ʼEl.
„God.” Hebr.: ʼElōʹah.
„God.” Hebr.: ʼElōʹah.
„God.” Hebr.: ʼEl.
Of: „aardse mens.” Hebr.: ʼa·dhamʹ.
Of: „brood.”
Lett.: „de dood.”
Of: „hij zal niet vergaderd worden”, M; LXXSy: „hij zal niets toevoegen.”
„Als wateren.” Of: „Overdag”, door een correctie.
Of: „[iemand die] zijn plaats [voorbijtrekt] zal erover fluiten.”