Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Job 20:1-29

20  Toen antwoordde de Naämathiet Zo̱far en zei:   „Daarom geven mijn eigen verontrustende gedachten zelf mij antwoord, Ja, wegens mijn innerlijke opgewondenheid.   Een beledigende vermaning aan mijn adres hoor ik; En een geest zonder het verstand dat ik heb, antwoordt mij.   Hebt gij te allen tijde dit wel geweten, Sinds de mens* op de aarde werd geplaatst,+   Dat het vreugdegeroep der goddelozen van korte duur is+ En het vreugdebetoon van een afvallige voor een ogenblik?   Al stijgt zijn hoogheid tot de hemel zelf+ En reikt zijn hoofd zelfs tot de wolken,   Als zijn drekkoeken vergaat hij voor eeuwig;+ Zelfs degenen die hem zagen, zullen zeggen: ’Waar is hij?’+   Als een droom zal hij wegvliegen, en men zal hem niet vinden; En hij zal worden verjaagd als een nachtvisioen.+   Het oog dat hem bespeurd heeft, zal dit niet weer doen,+ En zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen.+ 10  Zijn eigen zonen zullen de gunst van geringen zoeken, En zijn eigen handen zullen zijn waardevolle dingen teruggeven.+ 11  Zijn eigen beenderen zijn vol geweest van zijn jeugdige kracht, Maar met hem zal ze zich neerleggen in louter stof.+ 12  Indien het slechte zoet smaakt in zijn mond, Indien hij het onder zijn tong laat wegsmelten, 13  Indien hij er mededogen mee heeft en het niet laat varen, En indien hij het blijft terughouden in het midden van zijn gehemelte, 14  Zal zijn voedsel zelf in zijn eigen ingewanden stellig veranderen; Het zal de gal van cobra’s binnen in hem zijn. 15  Een vermogen heeft hij verzwolgen, maar hij zal het uitbraken; God* zal het uit zijn buik zelf uitdrijven. 16  Het gif van cobra’s zal hij inzuigen; De tong van een adder zal hem doden.+ 17  Hij zal nooit de waterlopen zien,+ Vlietende stromen van honing en boter. 18  Hij zal [zijn] verworven bezit teruggeven en zal [het] niet verzwelgen; Gelijk het vermogen van zijn handel, maar waarvan hij niet zal genieten.+ 19  Want hij heeft verbrijzeld, hij heeft geringen verlaten; Een huis heeft hij geroofd dat hij voorts niet bouwde.+ 20  Want hij zal stellig geen onbezorgdheid in zijn buik kennen; Door middel van zijn begeerlijke dingen zal hij niet ontkomen.+ 21  Er is niets overgebleven dat hij kan verslinden; Daarom zal zijn welzijn geen stand houden. 22  Terwijl zijn overvloed een hoogtepunt heeft bereikt, zal hij het benauwd krijgen;+ De volle kracht* van de tegenspoed zelf zal op hem afkomen. 23  Laat het geschieden dat, ten einde zijn buik te vullen, Hij zijn brandende toorn over hem zal zenden+ En [die] op hem zal doen regenen, in zijn ingewanden. 24  Hij zal weglopen+ voor ijzeren wapentuig; Een koperen boog zal hem doorsplijten. 25  Ja, een werpspies* zal zelfs door zijn rug naar buiten komen, En een glinsterend wapen* door zijn gal;+ Schrikwekkende voorwerpen zullen op hem afkomen.+ 26  Volslagen duisternis zal zijn bewaard voor wat hij heeft opgespaard; Een vuur dat niemand aangeblazen heeft, zal hem verteren;+ Het zal een overlevende in zijn tent slecht vergaan. 27  De hemel zal zijn dwaling onthullen,+ En de aarde zal tegen hem in opstand zijn. 28  Een stortregen zal zijn huis wegrollen;* Er zullen dingen worden uitgestort op de dag van zijn toorn.+ 29  Dit is van Godswege* het deel van de goddeloze mens,*+ Ja, het erfdeel dat hem van Godswege* is toegezegd.”

Voetnoten

Of: „Adam.” Hebr.: ʼa·dham′.
„God.” Hebr.: ʼEl.
Lett.: „hand.”
„Een werpspies”, door een correctie; M: „men heeft [een wapen] uitgetrokken.”
„Een glinsterend wapen.” Lett.: „bliksem.”
Of: „De opbrengst van zijn huis zal wegrollen.”
„Van Godswege.” Hebr.: me·ʼElo·him′.
Of: „aardse mens.” Hebr.: ʼa·dham′.
„Van Godswege.” Hebr.: me·ʼEl′.