Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Jesaja 65:1-25

65  „Ik heb mij laten zoeken+ door hen die niet [naar mij*] hadden gevraagd.+ Ik heb mij laten vinden door hen die mij niet hadden gezocht.*+ Ik heb gezegd: ’Hier ben ik, hier ben ik!’+ tot een natie die mijn naam niet aanriep.*+  De gehele dag heb ik mijn handen uitgebreid naar een onhandelbaar+ volk, zij die de weg bewandelen die niet goed is,+ naar hun [eigen] gedachten;+  het volk [dat bestaat uit] hen die mij voortdurend recht in mijn gezicht krenken,+ die slachtoffers brengen in de tuinen+ en offerrook+ op de bakstenen,*  die zich neerzetten tussen de grafsteden,+ die ook zelfs in de wachthutten* overnachten, die zwijnenvlees eten,+ terwijl zelfs het vleesnat van bedorven dingen+ in hun vaten is;  die zeggen: ’Blijf waar gij zijt. Nader mij niet, want ik zal stellig heiligheid op u overdragen.’*+ Dezen zijn een rook in mijn neusgaten,+ een vuur dat de gehele dag brandt.*+  Ziet! Het staat voor mijn aangezicht geschreven.+ Ik zal mij niet stilhouden,+ maar ik wil een vergelding geven;+ ja, ik wil de vergelding in hun eigen boezem geven,*+  voor hun* eigen dwalingen en tegelijk voor de dwalingen van hun voorvaders”,+ heeft Jehovah gezegd. „Omdat zij offerrook hebben gebracht op de bergen, en op de heuvels+ mij hebben gesmaad,+ wil ik [hun] ook hun loon allereerst in hun eigen boezem toemeten.”+  Dit heeft Jehovah gezegd: „Net als de nieuwe wijn+ in de druiventros wordt gevonden en iemand moet zeggen: ’Verderf hem niet,+ want er is een zegen in’,+ zo zal ik doen ter wille van mijn knechten,* om niet iedereen te verderven.+  En ik wil uit Ja̱kob een nageslacht* voortbrengen+ en uit Ju̱da de erfelijke bezitter van mijn bergen;+ en mijn uitverkorenen moeten het* in bezit nemen,+ en míȷ́n knechten zullen daar verblijf houden.+ 10  En Sa̱ron+ moet een weidegrond voor schapen worden+ en de laagvlakte van A̱chor+ een rustplaats voor runderen, voor mijn volk, dat mij zal hebben gezocht.+ 11  Maar GIJ zijt het die Jehovah verlaat,+ die mijn heilige berg vergeet,+ die een tafel in orde brengt voor de god van het Geluk*+ en die gemengde wijn schenkt voor de god van het Lot.*+ 12  En ik wil U voor het zwaard bestemmen,+ en GIJ zult U allen neerbuigen om geslacht te worden;+ omdat ik geroepen heb,+ maar GIJ niet hebt geantwoord, ik gesproken heb, maar GIJ niet hebt geluisterd,+ en GIJ bleeft doen wat kwaad was in mijn ogen+ en datgene verkozen hebt waarin ik geen behagen schepte.”+ 13  Daarom, dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: „Ziet! Míȷ́n knechten zullen eten,+ maar GÍJ́ zult honger lijden.+ Ziet! Míȷ́n knechten zullen drinken,+ maar GÍJ́ zult dorst lijden.+ Ziet! Míȷ́n knechten zullen zich verheugen,+ maar GÍJ́ zult beschaamd staan.+ 14  Ziet! Míȷ́n knechten zullen een vreugdegeroep aanheffen wegens de goede hartentoestand,+ maar GÍJ́ zult het uitschreeuwen wegens de hartenpijn en GIJ zult jammeren wegens louter verbreking des geestes.+ 15  En GIJ zult UW naam stellig bij mijn uitverkorenen tot een eed* achterlaten, en de Soevereine Heer Jehovah zal [U] werkelijk individueel* ter dood brengen,*+ maar zijn eigen knechten zal hij met een andere naam noemen,+ 16  zodat wie zich zegent op de aarde, zich zal zegenen bij de God* der trouw,*+ en wie een beëdigde verklaring aflegt op de aarde, zal zweren bij de God der trouw;+ omdat de vroegere benauwdheden werkelijk vergeten zullen zijn en omdat ze werkelijk voor mijn ogen verborgen zullen zijn.+ 17  Want ziet, ik schep nieuwe hemelen+ en een nieuwe aarde;+ en de vroegere dingen zullen niet in de geest worden teruggeroepen,+ noch zullen ze in het hart opkomen.+ 18  Maar verheugt U uitbundig+ en weest blij voor eeuwig over wat ik schep.+ Want ziet, ik schep Jeru̱zalem tot een reden voor blijdschap en haar volk tot een reden voor uitbundige vreugde.+ 19  En ik wil blij zijn over Jeru̱zalem en mij uitbundig verheugen over mijn volk;+ en in haar zal niet meer worden gehoord het geluid van geween of het geluid van een klaaggeschrei.”+ 20  „Er zal van die plaats geen zuigeling meer komen van enkele dagen oud,+ noch een grijsaard die zijn dagen niet vervult;+ want als een jongen nog maar zal men sterven, ook al is men honderd jaar oud; en wat de zondaar betreft, ook al is hij honderd jaar oud, hij zal kwaad over zich hebben afgesmeekt.+ 21  En zij zullen stellig huizen bouwen en bewonen,+ en zij zullen stellig wijngaarden planten en [hun] vrucht eten.+ 22  Zij zullen niet bouwen en iemand anders [het] bewonen; zij zullen niet planten en iemand anders [ervan] eten. Want als de dagen van een boom zullen de dagen van mijn volk zijn,+ en het werk van hun eigen handen zullen mijn uitverkorenen geheel verbruiken.+ 23  Zij zullen niet voor niets zwoegen,+ noch zullen zij baren tot ontsteltenis,+ want zij zijn het nageslacht bestaande uit de gezegenden van Jehovah,+ en hun nakomelingen met hen.+ 24  En het zal werkelijk geschieden dat voordat zij roepen, ikzelf zal antwoorden,+ terwijl zij nog spreken, ikzelf zal horen.+ 25  Ja, de wolf+ en het lam zullen eendrachtig weiden,+ en de leeuw zal stro eten net als de stier;+ en wat de slang betreft, haar voedsel zal stof zijn.+ Zij zullen geen kwaad doen+ noch enig verderf stichten op heel mijn heilige berg”,+ heeft Jehovah gezegd.

Voetnoten

„Naar mij”, LXXSy en drie Hebr. hss.
„Ik werd gevonden door hen die mij niet zochten”, LXXBagster. Zie Ro 10:20.
„Aanriep”, door een geringe verandering van vocalisatie in overeenstemming met TSyVg; M: „[niet naar mijn naam] werd genoemd.”
Mogelijk het plaveisel van de offerplaats, of daktegels.
„Zelfs tussen de rotsen”, door een correctie; LXXSy: „in de holen.”
„Ik zal stellig heilig jegens u worden”, M.
„Wat hen betreft, hun toorn is als een rook voor mijn aangezicht; hun straf zal in Gehinnam (Gehenna) zijn, waar het vuur de gehele dag brandt”, T. Zie App. 4C.
„Maar ik wil hun de straf voor hun overtredingen geven en wil hun lichaam overleveren aan de tweede dood”, T.
„Hun”, AqLXXSymThSy; MTVg: „uw.”
„Knechten”, MTSyVg; LXX en zeven Hebr. hss.: „knecht.”
Lett.: „zaad.”
Of: „haar”, in het Hebr. vr. enk., doelend op de erfelijke bezitting.
„Voor de god van het Geluk.” Hebr.: lag·gadhʹ; LXX: „de demon”; Lat.: For·tuʹnae. Vgl. Ge 30:11 vtnn.
Of: „voor de god der Beschikking.” Hebr.: lam·niʹ; Gr.: tei tuʹchei.
D.w.z. tot een vervloeking.
„[U] . . . individueel.” Lett.: „u”, in het Hebr. mnl. enk., ter aanduiding van de afzonderlijke persoon.
„Ter dood brengen”, M; T: „ter dood brengen met de tweede dood.”
„Bij de God.” Hebr.: bEʼ·lo·hēʹ.
„Trouw”, door een verandering van vocalisatie waardoor de lezing ʼe·moenʹ ontstaat; Hebr.: ʼa·menʹ, „Amen; Zeker!”