Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Jesaja 62:1-12

62  Ter wille van Si̱on zal ik mij niet stilhouden,+ en ter wille van Jeru̱zalem+ zal ik mij niet rustig houden, totdat haar rechtvaardigheid te voorschijn komt net als de lichtglans,+ en haar redding als een brandende fakkel.+  „En de natiën zullen stellig uw* rechtvaardigheid zien,+ [o vrouw,*]+ en alle koningen uw heerlijkheid.+ En gij zult werkelijk met een nieuwe naam worden genoemd,+ die Jehovah’s eigen mond zal aanduiden.  En gij moet een luisterrijke kroon worden in de hand van Jehovah,+ en een koninklijke tulband in de handpalm van uw God.*  Men zal u niet meer een geheel verlaten vrouw heten;+ en uw eigen land zal niet meer een woestenij heten;+ maar gijzelf zult genoemd worden: Mijn welbehagen is in haar,*+ en uw land: Als een echtgenote in eigendom.* Want Jehovah zal behagen in u hebben geschept, en uw eigen land zal als een echtgenote in eigendom worden gehouden.+  Want net zoals een jonge man een maagd als zijn echtgenote in bezit neemt, zullen uw zonen u als echtgenote in bezit nemen.+ En met de uitbundige vreugde van een bruidegom over een bruid,+ zal uw God zich over ú uitbundig verheugen.+  Op uw muren, o Jeru̱zalem, heb ik wachters aangesteld.+ Laten zij zich de gehele dag en de gehele nacht, constant, niet stilhouden.+ GIJ die van Jehovah gewaagt,+ laat er van UW zijde geen stilzwijgen zijn,+  en zwijgt niet stil voor hem totdat hij stevig bevestigt, ja, totdat hij Jeru̱zalem stelt tot een lof op aarde.”+  Jehovah heeft gezworen met zijn rechterhand+ en met zijn sterke arm:+ „Ik wil uw* koren niet meer als voedsel aan uw vijanden geven,+ noch zullen buitenlanders* uw nieuwe wijn drinken,+ waarvoor gij hebt gezwoegd.  Maar zij die het inzamelen, díé zullen het eten, en zij zullen stellig Jehovah loven; en zij die hem binnenhalen, díé zullen hem drinken in mijn heilige voorhoven.”+ 10  Trekt uit, trekt uit door de poorten. Baant de weg van het volk.+ Hoogt op, hoogt de hoofdweg op. Ruimt de stenen weg.+ Heft een signaal* op voor de volken.+ 11  Ziet! Jehovah zelf heeft [het] doen horen tot de verste streek* van de aarde:+ „Zegt tot de dochter van Si̱on:+ ’Zie! Uw redding komt.+ Zie! De beloning die hij geeft, is bij hem,+ en het loon dat hij betaalt, [gaat] voor hem uit.’”+ 12  En men zal hen stellig het heilige volk noemen,+ de door Jehovah teruggekochten;+ en gijzelf zult genoemd worden „Gezochte”,* een „Stad die niet geheel verlaten is”.+

Voetnoten

„Uw”, in het Hebr. vr. enk.
„O vrouw”, ingelast omdat „uw” in het Hebr. vr. enk. is en doelt op „Jeruzalem”.
„Uw God.” Hebr.: ʼElo·haʹjikh.
„Mijn welbehagen is in haar.” Of: „Hefsibah.” Hebr.: Chef·tsi-vahʹ.
Of: „Eigendom van een echtgenoot.” Of: „Beula.” Hebr.: Beʽoe·lahʹ.
„Uw”, in het Hebr. vr. enk., gericht tot Sion of Jeruzalem.
Lett.: „zonen van een vreemd (land).”
„Signaal.” Hebr.: nes; Lat.: siʹgnum.
„Gezochte.” Hebr.: Dheroe·sjahʹ, vr. enk.