Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Jesaja 52:1-15

52  Ontwaak, ontwaak, doe uw sterkte aan,+ o Si̱on! Doe uw mooie gewaden aan,+ o Jeru̱zalem, de heilige stad!+ Want in het vervolg zal er geen onbesnedene en onreine meer in u komen.+  Schud het stof van u af,+ sta op, zet u neer, o Jeru̱zalem. Maak voor uzelf de banden om uw hals los, o gevangen dochter van Si̱on.+  Want dit heeft Jehovah gezegd: „Om niet werdt gijlieden verkocht,+ en zonder geld zult GIJ teruggekocht worden.”+  Want dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: „Naar Egy̱pte daalde mijn volk aanvankelijk af, om daar als vreemdeling te vertoeven;+ en zonder reden heeft Assy̱rië van zijn kant het onderdrukt.”  „En nu, wat voor belang heb ik hier?”, is de uitspraak van Jehovah. „Want mijn volk werd om niet weggenomen.+ Ja, zij die over hen heersten, bleven jammeren”,*+ is de uitspraak van Jehovah, „en voortdurend, de gehele dag, werd mijn naam met minachting bejegend.+  Om die reden zal mijn volk mijn naam kennen,+ ja, om die reden op die dag, omdat ik het ben die spreekt.+ Zie! Ik ben het.”  Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten+ van degene die goed nieuws brengt,+ die vrede verkondigt,+ die goed nieuws brengt van iets beters,+ die redding verkondigt,+ die tot Si̱on zegt: „Uw God* is koning geworden!”+  Luister!* Uw* eigen wachters+ hebben [hun] stem verheven.+ Eenstemmig blijven zij het vreugdevol uitroepen; want oog in oog+ zullen zij zien wanneer Jehovah Si̱on terugbrengt.+  Wordt vrolijk, heft eenstemmig een vreugdegeroep aan, GIJ verwoeste plaatsen van Jeru̱zalem,+ want Jehovah heeft zijn volk getroost;+ hij heeft Jeru̱zalem teruggekocht.+ 10  Jehovah heeft zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle natiën;+ en alle einden der aarde moeten de redding van onze God zien.+ 11  Vertrekt, vertrekt, gaat uit vandaar,+ raakt niets onreins aan;+ gaat uit haar midden vandaan,+ houdt U rein, GIJ die het gerei van Jehovah draagt.+ 12  Want niet in paniek zult gijlieden uittrekken, en niet in vlucht zult GIJ heengaan.+ Want Jehovah zal zelfs voor U uit gaan,+ en de God van I̱sraël zal UW achterhoede zijn.*+ 13  Ziet! Mijn knecht+ zal met inzicht+ handelen. Hij zal een hoge positie bekleden en zal stellig verheven en zeer verhoogd worden.+ 14  In de mate dat velen star zijn geweest van ontzetting over hem*+ — zozeer was de misvorming met betrekking tot zijn uiterlijk,+ meer dan die van enige andere man,* en met betrekking tot zijn statige gestalte,+ meer dan die van de mensenzonen* 15  zal hij insgelijks vele natiën ontstellen.+ Om hem zullen koningen hun mond sluiten,+ want wat hun niet was verhaald, zullen zij werkelijk zien, en op wat zij niet hadden gehoord, moeten zij hun aandacht richten.+

Voetnoten

Of: „bleven [hen] doen jammeren.”
„Uw God.” Hebr.: ʼElo·haʹjikh.
Lett.: „De stem van.”
„Uw”, in het Hebr. vr. enk., doelend op „Sion”.
„Uw achterhoede zijn.” Lett.: „u vergaren.”
„Hem”, TSy; 1QIsaMLXXVg: „u.”
„Dan . . . man.” Hebr.: me·ʼisjʹ.
Of: „zonen van de aardse mens [Hebr.: ʼa·dhamʹ].”