Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Jesaja 49:1-26

49  Luistert naar mij, o GIJ eilanden,*+ en schenkt aandacht, GIJ nationale groepen ver weg.+ Jehovah zelf heeft mij+ zelfs van de buik af geroepen.+ Van de inwendige delen van mijn moeder af heeft hij mijn naam vermeld.+  En hij ging ertoe over mijn mond als een scherp zwaard te maken.+ In de schaduw+ van zijn hand heeft hij mij verborgen.+ En geleidelijk maakte hij mij tot een gepolijste* pijl. Hij stak mij weg in zijn eigen koker.  En hij zei vervolgens tot mij: „Gij zijt mijn knecht, o I̱sraël,+ gij, in wie ik mijn luister tentoon zal spreiden.”+  Maar wat mij betreft, ik zei: „Het is voor niets dat ik mij heb afgemat.+ Voor onwerkelijkheid en ijdelheid heb ik mijn eigen kracht verbruikt.+ Waarlijk, mijn recht is bij Jehovah,+ en mijn loon bij mijn God.”*+  En nu heeft Jehovah, die mij van de buik af formeerde als een knecht die hem toebehoort,+ gezegd [dat ik] Ja̱kob tot hem dien terug te brengen,+ opdat I̱sraël zelf tot hém vergaderd wordt.*+ En ik zal verheerlijkt worden in de ogen van Jehovah, en mijn eigen God zal mijn sterkte zijn geworden.  En hij zei vervolgens: „Het is meer dan een onbeduidende zaak geweest dat gij mijn knecht zijt geworden om de stammen van Ja̱kob op te richten en zelfs de beveiligden van I̱sraël terug te brengen;+ ik heb u ook tot een licht der natiën gegeven,+ opdat mijn redding moge reiken* tot het uiteinde* der aarde.”+  Dit heeft Jehovah, de Terugkoper van I̱sraël,+ zijn Heilige, gezegd tot hem die in de ziel* veracht wordt,+ tot hem die door de natie verfoeid wordt,*+ tot de knecht der heersers:+ „Ja, koningen zullen het zien en stellig opstaan,+ [en] vorsten, en zij zullen zich neerbuigen, wegens Jehovah, die getrouw is,+ de Heilige I̱sraëls, die u verkiest.”+  Dit heeft Jehovah gezegd: „In een tijd van goede wil* heb ik u geantwoord,+ en op een dag van redding heb ik u geholpen;+ en ik bleef u beveiligen, opdat ik u tot een verbond voor het volk zou kunnen geven,*+ om het land weer te herstellen,+ om de woest en verlaten liggende erfelijke bezittingen weer in bezit te doen nemen,+  om tot de gevangenen*+ te zeggen: ’Komt naar buiten!’,+ tot hen die in de duisternis zijn:+ ’Laat U zien!’+ Aan de wegen zullen zij weiden, en op alle veel betreden paden* zal hun weide zijn.+ 10  Zij zullen niet hongeren,+ noch zullen zij dorsten,+ noch zal verschroeiende hitte of zon hen treffen.+ Want Degene die medelijden met hen heeft,* zal hen leiden,+ en aan de waterbronnen zal hij hen voeren.+ 11  En ik wil al mijn bergen tot een weg maken, en mijn hoofdwegen zelf zullen op een verhoging zijn.+ 12  Zie! Dezen zullen zelfs van verre komen,+ en zie! dezen uit het noorden+ en uit het westen,*+ en dezen uit het land van Si̱nim.”* 13  Heft een vreugdekreet aan, GIJ hemelen,+ en wees blij, gij aarde.+ Dat de bergen vrolijk worden met vreugdegeroep.+ Want Jehovah heeft zijn volk getroost,+ en zijn ellendigen betoont hij medelijden.*+ 14  Maar Si̱on bleef zeggen: „Jehovah heeft mij verlaten,+ en Jehovah* zelf heeft mij vergeten.”+ 15  Kan een vrouw haar zuigeling vergeten, zodat zij geen medelijden zou gevoelen voor de zoon van haar buik?+ Zelfs deze vrouwen kunnen vergeten,+ maar ík zal u* niet vergeten.+ 16  Zie! In [mijn] handpalmen* heb ik u gegrift.+ Uw muren zijn steeds vóór mij.+ 17  Uw zonen hebben zich gehaast. Ja, degenen die u omverwerpen en verwoesten, zullen zelfs uit u wegtrekken. 18  Hef uw ogen op naar rondom en zie. Zij zijn allen bijeengebracht.+ Zij zijn tot u gekomen. „Zo waar ik leef,” is de uitspraak van Jehovah,+ „met hen allen zult gij u bekleden net als met sieraden, en gij zult hen u ombinden als een bruid.+ 19  Hoewel uw verwoeste plaatsen er zijn en uw ruïnes en het land van uw puinhopen,+ hoewel het u nu te eng is om er te wonen, en zij die u opslokten, ver weg zijn geweest,+ 20  zullen toch ten aanhoren van uzelf de zonen van uw beroofde staat+ zeggen: ’De plaats is te eng voor mij geworden.+ Maak toch ruimte voor mij, opdat ik kan wonen.’+ 21  En gij zult stellig in uw hart zeggen: ’Wie is vader van dezen voor mij geworden, daar ik een vrouw ben beroofd van kinderen en onvruchtbaar, verbannen en gevangengenomen?*+ Wat dezen aangaat, wie heeft [hen] grootgebracht?+ Zie! Ikzelf was alleen achtergelaten.+ Dezen — waar zijn zij geweest?’”+ 22  Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: „Zie! Ik zal mijn hand zelfs tot de natiën opheffen,+ en voor de volken zal ik mijn signaal* omhoogheffen.+ En zij zullen uw zonen aan de boezem [naar u] brengen, en op de schouder zullen zij uw eigen dochters dragen.+ 23  En koningen moeten verzorgers voor u worden,+ en hun vorstinnen* voedsters voor u. Met het aangezicht* ter aarde zullen zij zich voor u neerbuigen,+ en het stof van uw voeten zullen zij oplikken;+ en gij zult moeten weten dat ik Jehovah ben, dat wie op mij hopen, niet beschaamd zullen worden.”+ 24  Kunnen degenen die reeds genomen zijn,* wel aan een sterke man zelf ontnomen worden,+ of kan de gevangenenschaar van de tiran* wel ontkomen?+ 25  Doch dit heeft Jehovah gezegd: „Zelfs de gevangenenschaar van de sterke man zal weggenomen worden,+ en zij die reeds door de tiran zelf genomen zijn, zullen ontkomen.+ En met een ieder die met u twist, zal ikzelf twisten,+ en uw eigen zonen zal ikzelf redden.+ 26  En ik wil hen die u slecht behandelen, hun eigen vlees doen eten; en als van de zoete wijn zullen zij dronken worden van hun eigen bloed. En alle vlees zal moeten weten dat ik, Jehovah,+ uw Redder+ en uw Terugkoper+ ben, de Machtige van Ja̱kob.”+

Voetnoten

Of: „kustlanden.”
Of: „puntige.”
„Mijn God.” Hebr.: ʼElo·haiʹ, mv.
„Opdat Israël zelf tot hém vergaderd wordt”, 1QIsaMmargeAq; M: „en Israël, dat niet vergaderd werd.”
Of: „opdat gij mijn redding moogt worden”, in overeenstemming met LXXVg.
Of: „met geheel de ziel; diep.” Hebr.: neʹfesj; Gr.: psuʹchen; Lat.: aʹni·mam.
Of: „ter verachting door de ziel, ter verfoeiing door de natie”, d.w.z. tot degene die door de ziel veracht wordt, tot degene die door de natie verfoeid wordt.
Of: „In een tijd van aanvaarding.”
Sy voegt toe: „en tot een licht voor de volken.”
Of: „geboeiden; gebondenen.”
Of: „alle kale heuvels.”
Of: „die hun barmhartigheid betoont.”
Lett.: „van de zee”, d.w.z. de Middellandse Zee ten westen van Juda.
„Sinim”, M; Syr.: Sen·jam; TVg: „in het zuiden”; LXX: „de Perzen.”
Of: „barmhartigheid.”
Een van de 134 keren dat de schriftgeleerden JHWH in ʼAdho·naiʹ hebben veranderd. Zie App. 1B.
„U”, in het Hebr. vr., doelend op „Sion”.
„De handpalmen”, M; Sy: „de handpalmen van mijn handen”; LXXVg: „mijn handen.”
„Gevangengenomen”, door een geringe correctie; M: „afgeweken (verstoten).”
„Mijn signaal.” Hebr.: nis·siʹ (van nes).
Of: „edelvrouwen.”
Lett.: „[de] neuzen.”
Of: „de genomen dingen [mensen].”
„Gevangenenschaar van de tiran”, door een correctie; M: „rechtvaardige gevangenenschaar.”