Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Jesaja 46:1-13

46  Bel+ heeft zich neergebogen,+ Ne̱bo helt voorover; hun afgoden+ zijn voor de wilde dieren en voor de huisdieren geworden, hun vrachten, stukken bagage, een last voor de vermoeide dieren.  Zij moeten overhellen; zij moeten zich allen evenzeer neerbuigen; zij zijn eenvoudig niet in staat de last ontkoming te verschaffen,+ maar hun eigen ziel moet in gevangenschap gaan.+  „Luistert naar mij, o huis van Ja̱kob, en al GIJ overgeblevenen* van het huis van I̱sraël,+ GIJ die [door mij] getorst zijt van de buik af, gedragen van de moederschoot af.+  Zelfs tot [iemands] ouderdom toe ben ik Dezelfde;+ en tot [iemands] grijsheid toe zal ikzelf blijven torsen.+ Ikzelf zal stellig handelen,+ opdat ikzelf kan dragen en opdat ikzelf kan torsen en ontkoming kan verschaffen.+  Met wie wilt gijlieden mij vergelijken+ of gelijkstellen of mij doen overeenkomen, dat wij op elkaar zouden lijken?+  Er zijn er die het goud uit de buidel schudden, en met de waagbalk wegen zij het zilver uit. Zij huren een metaalbewerker en hij maakt er een god van.*+ Zij werpen zich neer, ja, zij buigen zich neer.+  Zij dragen hem op de schouder,+ zij torsen hem en zetten hem op zijn plaats opdat hij blijft staan. Van zijn standplaats wijkt hij niet.+ Men schreeuwt zelfs tot hem, maar hij antwoordt niet; uit iemands benauwdheid redt hij hem niet.+  Gedenkt dit, opdat GIJ moed moogt verzamelen.* Neemt het ter harte,+ GIJ overtreders.+  Gedenkt de eerste dingen van lange tijd geleden,+ dat ik de Goddelijke*+ ben, en er is geen andere God,*+ noch iemand gelijk mij;+ 10  die van het begin af de afloop vertelt,+ en van oudsher de dingen die niet gedaan zijn;+ die zegt: ’Míȷ́n raad zal tot stand komen+ en al mijn welbehagen zal ik doen’;+ 11  die van de opgang [der zon] een roofvogel roept,+ uit een ver land de man* die mijn* raad volvoert.+ Ja, ik heb [het] gesproken, ik zal het ook doen komen.+ Ik heb [het] geformeerd, ik zal het ook doen.+ 12  Luistert naar mij, GIJ die sterk van hart zijt,+ GIJ die ver zijt van rechtvaardigheid.+ 13  Ik heb mijn rechtvaardigheid nabij gebracht.+ Ze is niet ver weg,+ en míȷ́n redding zal niet te laat zijn.+ En ik wil in Si̱on redding geven, aan I̱sraël mijn luister.”+

Voetnoten

Of: „heel gij overblijfsel.”
Lett.: „en hij maakt het een god.” Hebr.: weja·ʽase′hoe ʼel.
Of: „gij u moogt vermannen”, KB3, blz. 96.
Of: „God.” Hebr.: ʼEl; Gr.: ho The′os.
„God.” Hebr.: ʼElo·him′.
Lett.: „man van.” Hebr.: ʼisj.
„Mijn”, Mmarge in overeenstemming met LXX; 1QIsaM: „zijn.”