Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Jesaja 45:1-25

45  Dit heeft Jehovah tot zijn gezalfde,*+ tot Cy̱rus,* gezegd, wiens rechterhand ik heb gevat+ om voor hem uit natiën te onderwerpen,+ zodat ik zelfs de heupen van koningen kan ontgorden; om voor hem uit de deuren met dubbele vleugels te openen, zodat zelfs de poorten niet gesloten zullen zijn:  „Ikzelf zal voor u uit gaan,+ en de bodemverheffingen zal ik effenen.+ De koperen deuren zal ik verbreken en de ijzeren grendels stukslaan.+  En ik wil u de schatten+ in de duisternis geven en de verborgen schatten in de schuilplaatsen, opdat gij moogt weten dat ik Jehovah ben, die [u] bij uw naam roept,+ de God* van I̱sraël.  Ter wille van mijn knecht Ja̱kob en van I̱sraël mijn uitverkorene+ ben ik er zelfs toe overgegaan u bij uw naam te roepen; ik gaf u voorts een erenaam, ofschoon gij mij niet kende.+  Ik ben Jehovah, en er is geen ander.+ Behalve mij is er geen God.+ Ik zal u vast omgorden, ofschoon gij mij niet hebt gekend,  opdat men weet van de opgang der zon en van haar ondergang, dat er niemand is buiten mij.+ Ik ben Jehovah, en er is geen ander.+  [Degene] die het licht formeert+ en de duisternis schept,+ die vrede maakt+ en rampspoed schept,+ ik, Jehovah, doe al deze dingen.+  O GIJ hemelen, laat het druipen van boven,+ en de wolkenhemel zelf druppele van rechtvaardigheid.+ De aarde opene zich en zij vruchtbaar met redding, en dat ze tevens rechtváárdigheid doe ontspruiten.+ Ikzelf, Jehovah, heb het* geschapen.”+  Wee degene die heeft getwist met zijn Formeerder,+ als een scherf van aardewerk met de andere scherven van aardewerk van de grond! Dient het leem+ soms tot zijn formeerder te zeggen: „Wat maakt gij?” En uw werk: „Hij heeft geen handen”? 10  Wee degene die tot een vader zegt: „Waarvan wordt gij vader?”, en tot de vrouw: „Waarvan hebt gij barensweeën?”+ 11  Dit heeft Jehovah gezegd, de Heilige I̱sraëls+ en zijn Formeerder:+ „Vraagt mij zelfs over de toekomstige dingen+ betreffende mijn zonen;+ en betreffende de werkzaamheid+ van mijn handen dient gijlieden mij bevel te geven. 12  Ikzelf heb de aarde gemaakt+ en heb zelfs de mens* daarop geschapen.+ Ik — mijn eigen handen hebben de hemelen uitgespannen,+ en aan heel het heerleger ervan heb ik bevel gegeven.”+ 13  „Ikzelf heb iemand verwekt in rechtvaardigheid,+ en al zijn wegen zal ik recht maken.+ Hij is het die mijn stad zal bouwen,+ en de mij toebehorenden die in ballingschap zijn, zal hij laten gaan,*+ niet voor een prijs,+ noch voor steekpenningen”, heeft Jehovah der legerscharen gezegd. 14  Dit heeft Jehovah gezegd: „De onbetaalde arbeiders van Egy̱pte+ en de kooplieden van Ethio̱pië* en de Sabeeërs,+ rijzige mannen,*+ ja, zij zullen zelfs tot u* overkomen, en de uwe zullen zij worden.+ Achter u zullen zij lopen; in boeien+ zullen zij overkomen, en voor u zullen zij zich neerbuigen.+ Tot u zullen zij bidden [en zeggen:] ’Waarlijk, God is in eendracht met u,*+ en er is geen ander; er is geen [andere] God.’”*+ 15  Waarlijk, gij zijt een God die zich verborgen houdt,+ de God van I̱sraël, een Redder.+ 16  Zij zullen stellig beschaamd en ook te schande worden, zij allen. Te zamen zullen in schande+ moeten wandelen de vervaardigers van [afgods]gestalten. 17  Wat I̱sraël betreft, het zal stellig in eendracht met Jehovah worden gered,+ met een redding voor onbepaalde tijden.+ Gijlieden zult niet beschaamd worden,+ noch zult GIJ te schande worden+ voor de onbepaalde tijden der eeuwigheid. 18  Want dit heeft Jehovah gezegd, de Schepper van de hemelen,+ Hij, de [ware] God,+ de Formeerder van de aarde en de Maker ervan,+ Hij, die haar stevig heeft bevestigd,+ die haar niet louter voor niets heeft geschapen, die haar geformeerd heeft om ook bewoond te worden:+ „Ik ben Jehovah, en er is geen ander.+ 19  Niet in een schuilplaats heb ik gesproken,+ op een duistere plaats van de aarde; noch heb ik tot het zaad* van Ja̱kob gezegd: ’Zoekt mij louter voor niets.’+ Ik ben Jehovah, die spreekt wat rechtvaardig is, die vertelt wat oprecht is.+ 20  Schaart U bijeen en komt.+ Treedt gezamenlijk nader, GIJ ontkomenen uit de natiën.+ Zij die het hout* van hun gesneden beeld dragen, zijn niet tot enige kennis gekomen, evenmin zij die tot een god bidden die niet redden kan.*+ 21  Brengt verslag uit en voert gronden aan.+ Ja, laten zij in eenheid te zamen beraadslagen. Wie heeft dit van oudsher doen horen?+ [Wie] heeft het van diezelfde tijd af meegedeeld?+ Ben ik het niet, Jehovah, buiten wie er geen andere God* is;+ een rechtvaardige God* en een Redder,+ terwijl er geen is behalve ik?+ 22  Wendt U tot mij en wordt gered,+ GIJ allen [aan de] einden der aarde; want ik ben God en er is geen ander.+ 23  Bij mijzelf heb ik gezworen+ — uit mijn eigen mond is in rechtvaardigheid het woord uitgegaan,+ zodat het niet zal terugkeren+ — dat voor mij elke knie zich zal buigen,+ [bij mij] iedere tong zal zweren,*+ 24  door te zeggen: ’Waarlijk, in Jehovah is volledige rechtvaardigheid en sterkte.+ Allen die verhit worden tegen hem, zullen rechtstreeks tot hem komen en beschaamd worden.+ 25  In Jehovah zal het gehele zaad+ van I̱sraël juist blijken te zijn+ en zal het zich beroemen.’”+

Voetnoten

„Tot zijn gezalfde.” Hebr.: lim·sji·chōʹ; Gr.: chriʹstoi; Syr.: lam·sji·cheh; Lat.: chriʹsto.
„Tot Cyrus”, M(Hebr.: leKhōʹresj)TLXXVg.
„De God van.” Hebr.: ʼElo·hēʹ.
Of: „hem”, in het Hebr. mnl.
„En . . . de mens.” Hebr.: weʼa·dhamʹ.
Of: „zal hij wegzenden.” Hebr.: jesjal·leʹach.
„Ethiopië”, Vg; LXX: „de Ethiopiërs”; MTSy: „Kusch.”
Lett.: „mannen van maat.”
„U”, in het Hebr. vr., doelend op een volk of een stad.
„God is in eendracht met u.” Lett.: „in u [is] God.” Hebr.: bakh ʼEl.
„Geen [andere] God.” Hebr.: ʼeʹfes ʼElo·himʹ.
Of: „nageslacht.”
Of: „de boom van.” Hebr.: ʽets.
„Een god . . . die niet redden kan.” Hebr.: ʼel loʼ jō·sjiʹaʽ; Gr.: theʹous; Lat.: deʹum.
„God.” Hebr.: ʼElo·himʹ.
„Een rechtvaardige God.” Hebr.: ʼEl-tsad·diqʹ; Lat.: Deʹus iuʹstus.
„Voor mij elke knie zich zal buigen en iedere tong God openlijk zal erkennen”, LXX. Zie Ro 14:11.