Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Jesaja 32:1-20

32  Zie! Een koning+ zal regeren voor louter rechtvaardigheid;+ en wat vorsten+ betreft,* zij zullen als vorsten heersen voor louter gerechtigheid.  En een ieder moet als een wijkplaats voor de wind* blijken te zijn en een schuilplaats voor de slagregen,+ als waterstromen in een waterloos land,+ als de schaduw van een zware, steile rots in een uitgeput land.+  En de ogen der zienden zullen niet dichtgestreken zijn,* en zelfs de oren der horenden zullen aandacht schenken.+  En zelfs het hart der voorbarigen zal acht geven op kennis,+ en zelfs de tong der stamelenden zal vaardig zijn in het spreken van duidelijke dingen.+  De onzinnige zal niet langer edelmoedig worden genoemd; en wat de beginselloze man betreft, van hem zal niet worden gezegd dat hij edel is;+  want de onzinnige zal van zijn kant louter onzinnigheid spreken,+ en zijn hart zelf zal werken aan wat schadelijk is,+ om te werken aan afval+ en tegen Jehovah te spreken wat eigenzinnig is, om de ziel van de hongerige ledig te doen gaan,+ en hij doet zelfs de dorstige zonder drinken gaan.  Wat de beginselloze man betreft, zijn werktuigen zijn slecht;+ hijzelf heeft raad gegeven met betrekking tot losbandige gedragingen,+ om de ellendigen met leugenwoorden te gronde te richten,+ zelfs wanneer een arme spreekt wat recht is.  Wat de edelmoedige betreft, met betrekking tot edelmoedige dingen heeft hij raad gegeven, en ten gunste van edelmoedige dingen zal hijzelf opstaan.+  „GIJ onbezorgde vrouwen, staat op, luistert naar mijn stem!+ GIJ zorgeloze* dochters, leent het oor aan mijn woord! 10  Binnen een jaar en enkele dagen zult GIJ zorgelozen in beroering worden gebracht,+ want de druivenoogst zal tot een einde zijn gekomen [maar] er zal geen [ooft]inzameling komen.+ 11  Beeft, GIJ onbezorgde vrouwen! Raakt in beroering, GIJ zorgelozen! Ontkleedt en ontbloot U en omgordt de lendenen [met een zak].+ 12  Slaat U jammerend op de borst+ om de begeerlijke velden,+ om de vruchtdragende wijnstok. 13  Op de grond van mijn volk schieten slechts doorns, stekelige struiken op,+ want ze zijn op alle huizen van uitbundige vreugde, ja, op de uitgelaten stad.+ 14  Want zelfs de woontoren is verlaten,+ zelfs het tumult van de stad is uitgestorven; ja, O̱fel+ en de wachttoren zijn kale velden geworden, voor onbepaalde tijd de uitbundige vreugde van zebra’s, de weide van kudden; 15  totdat over ons de geest wordt uitgestort van omhoog,+ en de wildernis een boomgaard geworden zal zijn en de boomgaard zelf een waar woud wordt geacht.+ 16  En in de wildernis zal stellig gerechtigheid verblijf houden, en in de boomgaard zal louter rechtvaardigheid wonen.+ 17  En het werk van de [ware] rechtvaardigheid moet vrede worden,+ en de dienst van de [ware] rechtvaardigheid, gerustheid en zekerheid tot onbepaalde tijd.+ 18  En mijn volk moet in een vredige verblijfplaats wonen en in woonsteden van volledig vertrouwen en in ongestoorde rustplaatsen.+ 19  En het zal stellig hagelen wanneer het woud tegen de grond gaat+ en de stad wordt omlaaggebracht tot een lage toestand.+ 20  Gelukkig zijt gijlieden die zaait aan alle wateren,+ die de voet van de stier en van de ezel heenzendt.”+

Voetnoten

„En wat vorsten betreft.” Hebr.: oe·lesa·rimʹ.
„Wind.” Hebr.: roeʹach; Lat.: venʹto.
„Zullen niet dichtgestreken zijn”, door een geringe correctie van M, in overeenstemming met TSyVg; M: „zullen niet kijken.”
Of: „geruste; argeloze”; of: „[dochters] vol vertrouwen.”