Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Jesaja 29:1-24

29  „Wee A̱riël,*+ A̱riël, de stad waar Da̱vid zich legerde!+ Voegt jaar bij jaar, laat de feesten+ hun kringloop volbrengen.  En ik moet A̱riël benauwen,+ en er moet getreur en jammerklacht blijken te zijn,+ en ze moet mij worden als de altaarhaard van God.*+  En ik moet mij aan alle kanten tegen u* legeren, en ik moet het beleg voor u slaan met een palissade,* en belegeringswerken tegen u oprichten.+  En gij moet neergehaald worden, zodat gij als het ware vanuit de aarde zult spreken, en als uit het stof zal uw woord gedempt klinken.+ En als een geestenmedium moet uw stem worden, ja, uit de aarde, en uit het stof zal uw eigen woord piepen.+  En de menigte van hen die u vreemd zijn, moet net als fijn stof worden,+ en de menigte der tirannen+ net als het kaf dat wegstuift.+ En het moet in een ogenblik, plotseling,+ geschieden.  Van de zijde van Jehovah der legerscharen zal er aandacht aan u worden geschonken met donder en met aardbeving en met een groot geluid, stormwind en orkaan, en de vlam van een verslindend vuur.”+  En het moet geschieden net als in een droom, in een nachtvisioen, met betrekking tot de menigte van alle natiën die oorlog voeren tegen A̱riël,+ ja, allen die oorlog voeren tegen haar, en de tegen haar gerichte belegeringstorens en degenen die haar benauwen.+  Ja, het moet geschieden net als wanneer een hongerige droomt en zie, hij eet, en hij wordt werkelijk wakker en zijn ziel is leeg;+ en net als wanneer een dorstige droomt en zie, hij drinkt, en hij wordt werkelijk wakker en zie, hij is vermoeid en zijn ziel is uitgedroogd; zo zal het geschieden met de menigte van alle natiën die oorlog voeren tegen de berg Si̱on.+  Talmt en weest verbaasd;+ verblindt U en weest verblind.*+ Zij zijn bedwelmd geraakt,+ maar niet van wijn; zij hebben zich onvast voortbewogen, maar niet vanwege bedwelmende drank.+ 10  Want over ulieden heeft Jehovah een geest van diepe slaap uitgestort,+ en hij sluit UW ogen, de profeten,+ en hij heeft zelfs UW hoofden,+ de visionairs,+ omhuld. 11  En voor ulieden wordt het visioen van alles gelijk de woorden van het boek dat is verzegeld,+ dat men geeft aan iemand die het schrift kent en zegt: „Lees dit alstublieft voor”, en hij moet zeggen: „Dat kan ik niet, want het is verzegeld”;+ 12  en het boek moet gegeven worden aan iemand die geen schrift kent, terwijl [iemand] zegt: „Lees dit alstublieft voor”, en hij moet zeggen: „Ik ken in het geheel geen schrift.” 13  En Jehovah* zegt: „Omdat dit volk genaderd is met zijn mond en zij mij slechts met hun lippen verheerlijkt hebben+ en hun hart zelf ver van mij verwijderd hebben+ en hun vrees ten opzichte van mij een gebod van mensen wordt dat wordt onderwezen,+ 14  daarom, hier ben ik, Degene die wederom wonderlijk met dit volk zal handelen,+ op een wonderlijke wijze en met iets wonderlijks; en de wijsheid van hun wijze mannen moet vergaan, en zelfs het verstand van hun beleidvolle mannen zal schuilgaan.”+ 15  Wee hun die zeer diep gaan in het verbergen van raad voor Jehovah zelf,+ en wier daden in een duistere plaats zijn geschied,+ terwijl zij zeggen: „Wie ziet ons, en wie weet van ons?”+ 16  O die verkeerdheid van U! Dient de pottenbakker* zelf soms net als het leem geacht te worden?+ Want dient het maaksel soms betreffende zijn maker te zeggen: „Hij heeft mij niet gemaakt”?+ En zegt in feite soms het geformeerde zelf betreffende zijn formeerder: „Hij heeft geen verstand getoond”?+ 17  Is het niet nog slechts een zeer korte tijd en de Li̱banon moet in een boomgaard veranderd worden+ en de boomgaard zelf zal net als een woud worden geacht?+ 18  En op die dag zullen de doven stellig de woorden van het boek horen,+ en uit het donker en uit de duisternis zullen zelfs de ogen der blinden zien.+ 19  En de zachtmoedigen+ zullen hun verheuging in Jehovah zelf stellig vermeerderen, en zelfs de armen van de mensheid* zullen blij zijn in de Heilige I̱sraëls zelf,+ 20  want de tiran moet aan zijn eind komen+ en met de snoever moet het gedaan zijn,+ en allen die er voortdurend op uit zijn kwaad te doen,+ moeten worden afgesneden, 21  zij die een mens doen zondigen door [zijn] woord,+ en zij die zelfs strikken spannen voor degene die terechtwijst in de poort,+ en zij die de rechtvaardige terzijde dringen met nietszeggende argumenten.+ 22  Daarom heeft Jehovah dit tot het huis van Ja̱kob gezegd, hij die A̱braham verloste:+ „Ja̱kob zal nu niet beschaamd staan, noch zal zijn eigen gezicht nu bleek worden;+ 23  want wanneer hij zijn kinderen ziet, het werk van mijn handen, in zijn midden,+ zullen zij mijn naam heiligen,*+ en zij zullen stellig de Heilige Ja̱kobs heiligen,+ en voor de God van I̱sraël* zullen zij ontzag hebben.+ 24  En zij die dwalen in [hun] geest, zullen werkelijk verstand krijgen, en zelfs zij die morren, zullen onderricht leren.”+

Voetnoten

Betekent mogelijk „De altaarhaard van God”; of: „De leeuw van God”, doelend op Jeruzalem.
Of: „als Ariël.”
„U”, in het Hebr. vr. enk., doelend op de stad.
Of: „met wachtposten (voorposten).”
Lett.: „betoont u dichtgesmeerd en weest dichtgesmeerd.” Vgl. 6:10: „strijk zelfs hun ogen dicht.”
Een van de 134 keren dat de soferim JHWH in ʼAdho·nai′ hebben veranderd. Zie App. 1B.
Lett.: „formeerder.”
Of: „de aardse mens.” Hebr.: ʼa·dham′.
„Zullen zij . . . heiligen.” Hebr.: jaq·di′sjoe; Gr.: ha·gi·a·sou′sin; Lat.: sanc·ti·fi·can′tes.
„God van Israël.” Hebr.: ʼElo·hē′ Jis·ra·ʼel′.