Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Jesaja 28:1-29

28  Wee de eminente kroon* van de dronkaards van E̱fraïm,+ en de verwelkende bloesem van zijn luisterrijke sieraad, dat rust op het hoofd van het vruchtbare dal* van hen die door de wijn zijn overmand!  Zie! Jehovah* heeft iemand die sterk en krachtig is.+ Als een onweersbui van hagel,+ een vernielende storm, als een onweersbui van geweldige, overstromende wateren+ zal hij stellig met kracht* ter aarde werpen.  Met voeten zullen de eminente kronen van de dronkaards van E̱fraïm worden vertreden.+  En de verwelkende bloem+ van zijn luisterrijke sieraad dat op het hoofd van het vruchtbare dal rust, moet worden als de vroege vijg+ vóór de zomer, die wanneer iemand ze ziet, terwijl ze nog in zijn handpalm is, door hem wordt opgeslokt.  Op die dag zal Jehovah der legerscharen worden als een sierkroon+ en als een luisterrijke krans+ voor degenen die overblijven*+ van zijn volk,  en als een geest der gerechtigheid* voor degene die ten gericht gezeten is,+ en als kracht [voor] hen die de strijd afwenden van de poort.+  En ook dezen — vanwege wijn hebben zij gedwaald en vanwege bedwelmende drank hebben zij gedoold. Priester en profeet+ — zij hebben gedwaald vanwege bedwelmende drank, zij zijn verward geworden ten gevolge van de wijn, zij hebben gedoold+ ten gevolge van de bedwelmende drank; zij hebben gedwaald in hun zien, zij hebben gewaggeld met betrekking tot de beslissing.  Want de tafels zelf zijn allemaal vol vies uitbraaksel geworden+ — er is geen plaats [die schoon is].  Wie zal men in kennis onderrichten,+ en wie zal men het gehoorde* te verstaan geven?+ Degenen die van de melk gespeend zijn, die van de borst weggenomen zijn?+ 10  Want het is „gebod op gebod, gebod op gebod, meetsnoer op meetsnoer, meetsnoer op meetsnoer, hier een weinig, daar een weinig”.*+ 11  Want door hen die stamelen met hun lippen+ en door een andere taal+ zal hij tot dit volk spreken,+ 12  tot degenen tot wie hij heeft gezegd: „Dit is de rustplaats. Geeft de vermoeide rust. En dit is de plaats van verademing”, maar die niet wilden horen.+ 13  En voor hen zal het woord van Jehovah stellig worden „gebod op gebod, gebod op gebod, meetsnoer op meetsnoer, meetsnoer op meetsnoer,+ hier een weinig, daar een weinig”, opdat zij gaan en stellig achterwaarts struikelen en werkelijk verbroken en verstrikt en gevangen worden.+ 14  Daarom, hoort het woord van Jehovah, GIJ snoevers,* GIJ heersers+ van dit volk dat in Jeru̱zalem is: 15  Omdat gijlieden hebt gezegd: „Wij hebben een verbond gesloten met de Dood,+ en met Sjeo̱o̱l hebben wij een visioen*+ tot stand gebracht; de overstromende stortvloed, ingeval die doortrekt, zal ons niet bereiken, want wij hebben leugen tot onze toevlucht gemaakt+ en in bedrog hebben wij ons verborgen”+ — 16  daarom heeft de Soevereine Heer Jehovah dit gezegd: „Ziet, ik leg* als fundament in Si̱on+ een steen,*+ een beproefde steen,+ de kostbare hoek+ van een vast fundament.*+ Niemand die geloof oefent, zal in paniek geraken.*+ 17  En ik wil gerechtigheid* tot het meetsnoer+ maken en rechtvaardigheid+ tot het waterpasinstrument; en de hagel+ moet de leugentoevlucht wegvagen,+ en de wateren, die zullen zelfs de schuilplaats wegspoelen.+ 18  En UW verbond met de Dood zal stellig ontbonden worden,*+ en dat visioen van U met Sjeo̱o̱l zal geen stand houden.+ De overstromende stortvloed, wanneer die doortrekt+ — dan moet GIJ er een plaats van vertreding voor worden.+ 19  Zo dikwijls hij doortrekt, zal hij ulieden wegnemen,+ want morgen aan morgen zal hij doortrekken, overdag en ’s nachts; en het moet niets dan een reden tot beven worden+ ten einde [anderen] het gehoorde* te verstaan te geven.” 20  Want het rustbed is te kort gebleken om er zich op uit te strekken, en zelfs het geweven laken is [te] smal wanneer men zich erin wikkelt. 21  Want Jehovah zal opstaan net zoals bij de berg Pe̱razim,+ en hij zal in beroering komen net zoals in de laagvlakte bij Gi̱beon,+ om zijn daad te verrichten — zijn daad is vreemd — en om zijn werk* te doen — zijn werk is ongewoon.+ 22  En nu, betoont U geen spotters,+ opdat UW banden niet sterk worden, want van een verdelging, ja, iets waartoe besloten is, heb ik gehoord van de Soevereine+ Heer, Jehovah der legerscharen, voor het gehele land.*+ 23  Leent het oor en luistert naar mijn stem; schenkt aandacht en luistert naar mijn woord. 24  Is het de gehele dag+ dat de ploeger ploegt om te zaaien, dat hij zijn grond losmaakt en egt?+ 25  Is het niet zo dat wanneer hij de oppervlakte ervan effen gemaakt heeft, hij dan zwarte komijn strooit en de komijn+ uitwerpt, en moet hij er geen tarwe, gierst*+ en gerst in doen op de vastgestelde plaats,*+ en spelt+ als zijn grens?+ 26  En men corrigeert+ hem overeenkomstig dat wat juist is.* Zijn eigen God* onderricht hem.+ 27  Want niet met een dorswerktuig+ wordt zwarte komijn getreden; en over komijn wordt geen wagenwiel gewenteld. Want met een stok+ wordt zwarte komijn gewoonlijk uitgeklopt, en komijn met een staf. 28  Ja, wordt broodkoren gewoonlijk verbrijzeld? Want nooit blijft men het zonder ophouden+ treden.+ En hij moet de rol van zijn wagen in beweging zetten, en zijn eigen rijpaarden, [maar] hij zal het niet verbrijzelen.+ 29  Ook dit is uitgegaan van Jehovah der legerscharen zelf,+ die wonderbaar is geweest in raad, die grootse dingen heeft gedaan op het gebied van doeltreffend werken.+

Voetnoten

Lett.: „de kroon der verhevenheid.”
Lett.: „het dal der vettigheden (van de vruchtbare bodem).”
Een van de 134 keren dat de soferim JHWH in ʼAdho·naiʹ hebben veranderd. Zie App. 1B.
Lett.: „hand.”
Of: „voor het overblijfsel.”
Of: „des gerichts.” Hebr.: misj·patʹ.
Of: „het bericht.”
Lett.: „Want het is ʼtsaw op tsaw, tsaw op tsaw, qaw op qaw, qaw op qaw, een weinig hier, een weinig daar’”, als een klanknabootsing van het spreken van de profeet. Hebr.: ki tsaw la·tsawʹ tsaw la·tsawʹ, qaw la·qawʹ qaw la·qawʹ, zeʽērʹ sjam zeʽērʹ sjam.
Lett.: „gij mannen van snoevend gepraat.”
Lett.: „een visionair”, M; T: „vrede”; LXXVg: „een verdrag (verdragen).”
„Ziet, ik leg”, in overeenstemming met TLXXSyVg; M: „Ziet, ik [ben het die] gelegd heeft.”
„In Sion een steen.” Hebr.: be·Tsi·jōnʹ ʼaʹven; Gr.: Siʹon liʹthon; Lat.: Siʹon laʹpi·dem; Syr.: beTse·hioen kiʼ·faʼ; T(Aram.): beTsi·jōnʹ meʹlekh, „in Sion een koning”.
Of: „een hoek waar fundament fundament ontmoet.” De uitdr. „een vast fundament” is lett.: „een fundament gefundeerd.”
Of: „zal overijld (haastig) handelen.”
Of: „het recht.” Hebr.: misj·patʹ.
Lett.: „En . . . werd bedekt.” Hebr.: wekhoep·parʹ.
Of: „het bericht.”
Of: „zijn dienst.” Hebr.: ʽavo·dha·thōʹ.
Of: „de . . . aarde.” Hebr.: ha·ʼaʹrets.
„Tarwe, gierst.” Of: „tarwe in rijen.” De betekenis van het tweede Hebr. woord is onzeker.
Of: „op de vastgestelde tijd”; of: „in het afgebakende deel.” De betekenis is onzeker.
Of: „naar recht.”
„Zijn eigen God.” Hebr.: ʼElo·havʹ.