Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Jesaja 12:1-6

12  En op die dag+ zult gij stellig zeggen: „Ik zal u danken, o Jehovah, want [hoewel] gij vertoornd op mij werdt, heeft uw toorn zich geleidelijk afgewend,+ en gij zijt mij gaan vertroosten.+  Zie! God* is mijn redding.+ Ik zal vertrouwen en niet in angst verkeren;+ want Jah* Jehovah* is mijn sterkte+ en [mijn*] macht,*+ en hij werd mij tot redding.”+  Met uitbundige vreugde zult gijlieden stellig water putten uit de bronnen der redding.+  En op die dag zult GIJ stellig zeggen: „Dankt Jehovah!+ Roept zijn naam aan.+ Maakt onder de volken zijn handelingen bekend.+ Vermeldt dat zijn naam hoog verheven is.+  Bezingt Jehovah met melodieën,+ want allesovertreffend is hetgeen hij heeft gedaan.+ Dit wordt op de gehele aarde* bekendgemaakt.  Jubel en juich, o gij inwoonster* van Si̱on, want groot is in uw* midden de Heilige I̱sraëls.”+

Voetnoten

„God.” Hebr.: ʼEl.
„Jah.” Hebr.: Jah. Zie Ex 15:2 vtn., „Jah”; Ps 68:4 vtn.
„Jah Jehovah.” Hebr.: Jah Jehwahʹ. Deze combinatie komt alleen hier en in 26:4 voor.
„Mijn”, 1QIsaLXXSyVg en twee Hebr. hss.
Of: „melodie.” LXXVg: „lof.” Zie Ex 15:2 vtn., „Macht”.
Of: „het . . . land.” Hebr.: ha·ʼaʹrets.
Of: „bevolking”, in het Hebr. vr. enk., coll. als een vrouw beschouwd.
„Uw”, in het Hebr. vr., doelend op de „inwoonster van Sion”.