Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Jeremia 5:1-31

5  Trekt rond in de straten van Jeru̱zalem en ziet toch en weet, en zoekt zelf op haar openbare pleinen, of GIJ iemand kunt vinden,+ of er één is die gerechtigheid oefent,+ die getrouwheid zoekt,+ en ik zal haar vergeven.  Zelfs al zouden zij zeggen: „Zo waar Jehovah leeft!”, zij zouden daarmee bij niets anders dan leugen zweren.+  O Jehovah, zijn die ogen van u niet op getrouwheid [gericht]?+ Gij hebt hen geslagen,+ maar zij werden niet ziek.+ Gij hebt hen uitgeroeid.+ Zij hebben geweigerd streng onderricht aan te nemen.+ Zij hebben hun aangezicht harder gemaakt dan een steile rots.+ Zij hebben geweigerd terug te keren.+  Zelfs ík had gezegd: „Waarlijk, zij zijn van lage stand. Zij hebben dwaas gehandeld, want zij hebben de weg van Jehovah, het recht van hun God,* genegeerd.+  Ik wil heengaan tot de groten en met hen spreken,+ want zíȷ́ moeten nota hebben genomen van de weg van Jehovah, het recht van hun God.+ Waarlijk, zijzelf moeten allen te zamen het juk hebben verbroken; zij moeten de banden hebben vaneengescheurd.”+  Daarom heeft een leeuw uit het woud hen geslagen, ja, een wolf van de woestijnvlakten blijft hen met geweld plunderen,+ een luipaard ligt op de loer bij hun steden.+ Ieder die daaruit gaat, wordt aan stukken gescheurd. Want hun overtredingen zijn vele geworden; hun daden van ontrouw zijn talrijk geworden.+  Hoe kan ik u* hierom nog vergeven? Uw eigen zonen hebben mij verlaten en zij blijven zweren+ bij wat geen God is.*+ En ik bleef hen verzadigen,+ maar zij gingen ermee voort overspel te bedrijven,+ en naar het huis van een prostituee gaan zij in drommen.  Bronstige paarden, die [sterke] teelballen hebben, zijn zij geworden. Zij hinniken ieder naar de vrouw van hun metgezel.+  „Zou ik wegens deze dingen geen rekenschap vragen?”, is de uitspraak van Jehovah.+ „Of zou aan een natie als deze mijn ziel zich niet wreken?”+ 10  „Komt tegen haar rijen [wijnstokken]* op en veroorzaakt een vernieling,+ maar richt geen werkelijke verdelging aan.+ Verwijdert haar welig tierende ranken, want ze behoren niet aan Jehovah.+ 11  Want het huis van I̱sraël en het huis van Ju̱da hebben beslist trouweloos jegens mij gehandeld”, is de uitspraak van Jehovah.+ 12  „Zij hebben Jehovah verloochend en zij blijven zeggen: ’Hij is er niet.+ En over ons zal geen rampspoed komen, en noch zwaard noch hongersnood zullen wij zien.’+ 13  En de profeten zelf worden tot wind, en het woord is niet in hen.+ Zó zal hun worden gedaan.” 14  Daarom, dit heeft Jehovah, de God der legerscharen, gezegd: „Omdat gijlieden dit woord spreekt, ziet, ik maak mijn woorden in uw mond tot vuur,+ en dit volk zal [als] stukken hout zijn, en het zal hen stellig verslinden.”+ 15  „Ziet, ik breng over ulieden een natie uit een ver [land],+ o huis van I̱sraël”, is de uitspraak van Jehovah. „Het is een bestendige natie.+ Het is een natie van weleer, een natie waarvan gij de taal* niet kent, en gij kunt niet [met begrip] horen wat zij spreken. 16  Hun pijlkoker is als een open grafstede; allen zijn zij sterke mannen.+ 17  Zij zullen ook stellig uw oogst en uw brood opeten.+ De mannen zullen uw zonen en uw dochters opeten. Zij zullen uw schapen en uw runderen opeten. Zij zullen uw wijnstok en uw vijgenboom opeten.+ Zij zullen uw versterkte steden waarop gij vertrouwt, met het zwaard vergruizelen.” 18  „En zelfs in die dagen”, is de uitspraak van Jehovah, „zal ik geen verdelging van ulieden bewerkstelligen.+ 19  En het moet geschieden dat GIJ zult zeggen: ’Ten gevolge waarvan heeft Jehovah, onze God, ons dit alles aangedaan?’+ En gij moet tot hen zeggen: ’Net als GIJ mij hebt verlaten en een buitenlandse god* in UW land zijt gaan dienen, zo zult GIJ vreemden dienen in een land dat niet het UWE is.’”+ 20  Vertelt dit in het huis van Ja̱kob en verkondigt het in Ju̱da, en zegt: 21  „Hoort dit toch, o onwijs volk dat zonder hart* is:+ Zij hebben ogen, maar zij kunnen niet zien;+ zij hebben oren, maar zij kunnen niet horen.+ 22  ’Vreest GIJ zelfs mij niet’,+ is de uitspraak van Jehovah, ’of krimpt GIJ zelfs wegens mij niet van pijn ineen,+ die het zand tot grens voor de zee heb gesteld, een voor onbepaalde tijd durend voorschrift dat ze niet kan overschrijden? Ofschoon haar golven deinen, vermogen ze toch niets, en [ofschoon] ze wel onstuimig worden, kunnen ze het toch niet overschrijden.+ 23  Maar dít volk heeft een weerbarstig en weerspannig hart gekregen; zij zijn afgeweken en blijven hun weg gaan.+ 24  Maar zij hebben niet in hun hart gezegd: „Laten wij toch Jehovah, onze God, vrezen,+ die de stortregen en de herfstregen en de lenteregen geeft op hun tijd,+ die voor ons zelfs de voorgeschreven weken van de oogst behoedt.”+ 25  UW eigen dwalingen hebben deze dingen afgewend en UW eigen zonden hebben U het goede onthouden.+ 26  Want onder mijn volk zijn goddelozen gevonden.+ Zij blijven loeren, zoals wanneer vogelvangers ineenduiken.+ Zij hebben een verderfelijke [val]* gezet. Mensen* vangen zij. 27  Zoals een kooi vol vliegende schepselen is, zo zijn hun huizen vol bedrog.+ Daarom zijn zij groot geworden en verwerven zij rijkdom.+ 28  Zij zijn vet geworden;+ zij zijn glanzend geworden. Zij hebben ook in slechte dingen* de maat overschreden. Geen enkel rechtsgeding hebben zij bepleit,+ zelfs niet het rechtsgeding van de vaderloze jongen,+ zodat zij succes konden behalen;+ en voor het recht van de armen hebben zij het niet opgenomen.’” 29  „Zou ik wegens deze dingen geen rekenschap vragen,” is de uitspraak van Jehovah, „of zou aan een natie als deze mijn ziel zich niet wreken?+ 30  Een ontzettende toestand, ja, iets afschuwelijks, heeft zich voorgedaan* in het land:+ 31  De profeten zelf profeteren werkelijk op grond van de leugen;+ en wat de priesters betreft, zij gaan met al hun macht* onderwerpen.+ En mijn eigen volk heeft [het] graag zo gehad;+ en wat zult gijlieden bij de afloop ervan doen?”+

Voetnoten

„Hun God.” Hebr.: ʼElo·hē·hemʹ, mv.
„U”, in het Hebr. vr. enk.
Of: „bij wat geen goden zijn.” Hebr.: beloʼʹ ʼelo·himʹ.
„Haar terrasmuren”, door een geringe verandering van vocalisatie.
Lett.: „tong.”
Of: „buitenlandse goden.” Lett.: „een god [of: goden] van een vreemd (land).” Hebr.: ʼelo·hēʹ ne·kharʹ. De mv.-vorm van „god” kan ter aanduiding van verhevenheid zijn.
Of: „goede beweegreden.” Hebr.: lev.
„Een verderfelijke [val].” Of: „verderf”, d.w.z. in de vorm van een val of strik.
„Mensen.” Hebr.: ʼana·sjimʹ.
Of: „woorden; zaken.”
Of: „is tot bestaan gebracht.” Vgl. De 27:9 vtn.
Lett.: „handen.”