Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Jeremia 35:1-19

35  Het woord dat van Jehovah tot Jeremi̱a kwam in de dagen van Jo̱jakim,+ de zoon van Josi̱a, de koning van Ju̱da, luidde:  „Ga* naar het huis van de Rechabieten,+ en gij moet met hen spreken en hen in het huis van Jehovah brengen, naar een van de eetvertrekken, en gij moet hun wijn te drinken geven.”  Ik nam dus Jaäza̱nja, de zoon van Jeremi̱a, de zoon van Habazzi̱nja, en zijn broeders en al zijn zonen en heel het huisgezin van de Rechabieten,  en ik bracht hen vervolgens in het huis van Jehovah, naar het eetvertrek+ van de zonen van Ha̱nan, de zoon van Jigda̱lja,* een man van de [ware] God,* dat gelegen was naast het eetvertrek van de vorsten dat zich bevond boven het eetvertrek van Maäse̱ja,* de zoon van Sa̱llum,+ de deurwachter.*  Toen zette ik de zonen van het huis der Rechabieten bekers vol wijn en kelken voor en zei tot hen: „Drinkt wijn.”  Maar zij zeiden: „Wij zullen geen wijn drinken, want Jo̱nadab, de zoon van Re̱chab,+ onze voorvader, díé heeft ons het gebod opgelegd en gezegd: ’GIJ moogt tot onbepaalde tijd geen wijn drinken, noch GIJ noch UW zonen.+  En geen huis moogt GIJ bouwen, en geen zaad moogt GIJ zaaien, en geen wijngaard moogt GIJ planten, noch mag die van U worden. Maar in tenten dient GIJ al UW dagen te wonen, opdat GIJ vele dagen moogt blijven wonen op de oppervlakte van de aardbodem waar GIJ als vreemdeling vertoeft.’+  Wij blijven daarom gehoorzaam aan de stem van Jo̱nadab,* de zoon van Re̱chab, onze voorvader, in alles wat hij ons geboden+ heeft, door al onze dagen geen wijn te drinken, wij, noch onze vrouwen, noch onze zonen en onze dochters,+  en door geen huizen te bouwen waarin wij kunnen wonen, zodat geen wijngaard of veld of zaad van ons zou worden. 10  En wij blijven in tenten wonen en gehoorzamen en doen naar alles wat onze voorvader Jo̱nadab+ ons geboden heeft.+ 11  Maar het geschiedde toen Nebukadre̱zar, de koning van Ba̱bylon, tegen het land optrok,+ dat wij voorts zeiden: ’Komt, en laten wij Jeru̱zalem binnengaan wegens de krijgsmacht van de Chaldeeën en wegens de krijgsmacht van de Syriërs,* en laten wij in Jeru̱zalem wonen.’”+ 12  En het woord van Jehovah kwam nu tot Jeremi̱a en luidde: 13  „Dit heeft Jehovah der legerscharen, de God van I̱sraël, gezegd: ’Ga, en gij moet tot de mannen* van Ju̱da en tot de inwoners van Jeru̱zalem zeggen: „Hebt GIJ niet voortdurend vermaning ontvangen om mijn woorden te gehoorzamen?”,+ is de uitspraak van Jehovah. 14  „Men heeft de woorden van Jo̱nadab, de zoon van Re̱chab,+ die zijn zonen gebood geen wijn te drinken, ten uitvoer gebracht, en zij hebben geen [wijn] gedronken tot op deze dag, want zij hebben het gebod van hun voorvader gehoorzaamd.+ En wat mij betreft, ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende,+ maar GIJ hebt mij niet gehoorzaamd.+ 15  En ik bleef tot U zenden al mijn knechten, de profeten,+ vroeg op zijnde en [hen] zendende, en zei: ’Keert alstublieft terug, een ieder van zijn slechte weg,+ en maakt UW handelingen goed+ en loopt geen andere goden achterna om die te dienen.+ En blijft wonen op de grond die ik U en UW voorvaders gegeven heb.’+ Maar GIJ hebt UW oor niet geneigd, noch hebt GIJ naar mij geluisterd.+ 16  Maar de zonen van Jo̱nadab, de zoon van Re̱chab,+ hebben het gebod van hun voorvader dat hij hun geboden had, ten uitvoer gebracht;+ doch wat dit volk betreft, zij hebben niet naar mij geluisterd.”’”+ 17  „Daarom, dit heeft Jehovah, de God der legerscharen, de God van I̱sraël, gezegd: ’Zie, ik breng over Ju̱da en over alle inwoners van Jeru̱zalem al de rampspoed die ik tegen hen gesproken heb,+ omdat ik tot hen gesproken heb maar zij niet hebben geluisterd, en ik tot hen bleef roepen maar zij niet hebben geantwoord.’”+ 18  En tot het huisgezin van de Rechabieten zei Jeremi̱a: „Dit heeft Jehovah der legerscharen, de God van I̱sraël, gezegd: ’Omdat GIJ het gebod van UW voorvader Jo̱nadab+ hebt gehoorzaamd en al zijn geboden blijft onderhouden en blijft doen naar alles wat hij U geboden heeft,+ 19  daarom heeft Jehovah der legerscharen, de God van I̱sraël, dit gezegd: „Van Jo̱nadab, de zoon van Re̱chab, zal niet worden afgesneden een man die voor altijd*+ voor mijn aangezicht staat.”’”*+

Voetnoten

Zie 2:2 vtn., „Ga”.
Bet.: „Groot is Jehovah.” Hebr.: Jigh·dal·jaʹhoe.
„Een man van de [ware] God.” Hebr.: ʼisj ha·ʼElo·himʹ. Zie App. 1F.
Bet.: „Werk van Jehovah.” Hebr.: Ma·ʽase·jaʹhoe.
Lett.: „wachter van de drempel.”
„Jonadab.” Hebr.: Jehō·na·dhavʹ, zoals in 2Kon 10:15; zie vtn. aldaar.
Of: „Arameeërs.” Hebr.: ʼAramʹ.
„Tot de mannen van.” Hebr.: leʼisjʹ, enk., maar coll. gebruikt.
„Voor altijd.” Lett.: „al de dagen.”
„Een man die . . . staat.” Lett.: „een man . . . staand.”