Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Jeremia 34:1-22

34  Het woord dat van Jehovah tot Jeremi̱a kwam, toen Nebukadre̱zar, de koning van Ba̱bylon,+ en heel zijn krijgsmacht+ en al de koninkrijken der aarde, het machtsgebied onder zijn hand,+ en al de volken streden tegen Jeru̱zalem en tegen al haar steden;+ het luidde:  „Dit heeft Jehovah, de God van I̱sraël, gezegd: ’Ga,* en gij moet tot Zedeki̱a, de koning van Ju̱da,+ zeggen, ja, gij moet tot hem zeggen: „Dit heeft Jehovah gezegd: ’Zie, ik geef deze stad in de hand van de koning van Ba̱bylon,+ en hij moet haar met vuur verbranden.+  En gijzelf zult niet ontkomen aan zijn hand, want gij zult zonder mankeren gegrepen worden en in zijn hand zult gij gegeven worden.+ En uw eigen ogen zullen zelfs de ogen van de koning van Ba̱bylon zien,+ en zijn eigen mond zal zelfs met uw mond spreken, en naar Ba̱bylon zult gij gaan.’  Maar hoor het woord van Jehovah, o Zedeki̱a, koning van Ju̱da:+ ’Dit heeft Jehovah betreffende u gezegd: „Gij zult niet sterven door het zwaard.  In vrede zult gij sterven;+ en zoals er vuren waren voor uw vaderen, de vroegere koningen die er vóór u bleken te zijn,+ zo zal men voor u een vuur ontsteken,+ en ’Ach, o meester!’+ zal men in weeklacht over u zeggen,+ want ’ik ben het die het woord zelf heb gesproken’, is de uitspraak van Jehovah.”’”’”  Toen sprak de profeet Jeremi̱a tot Zedeki̱a, de koning van Ju̱da, al deze woorden+ te Jeru̱zalem,  terwijl de strijdkrachten van de koning van Ba̱bylon streden tegen Jeru̱zalem en tegen al de steden van Ju̱da die overgebleven waren,+ tegen La̱chis+ en tegen Aze̱ka;+ want die, de versterkte steden,+ waren het die overgebleven waren onder de steden van Ju̱da.+  Het woord dat van Jehovah tot Jeremi̱a kwam nadat koning Zedeki̱a een verbond had gesloten met heel het volk dat in Jeru̱zalem was, om voor hen vrijlating* uit te roepen,+  opdat ieder zijn dienstknecht en ieder zijn dienstmaagd, Hebreeër+ en Hebreeuwse, vrij zou laten gaan, zodat niemand hen als knechten zou gebruiken, dat wil zeggen een jood, die zijn broeder is.+ 10  Al de vorsten+ dan gehoorzaamden, alsook heel het volk dat in het verbond getreden was om ieder zijn dienstknecht en ieder zijn dienstmaagd vrij te laten gaan, zodat men hen niet meer als knechten zou gebruiken, en zij gehoorzaamden vervolgens en lieten [hen] gaan.+ 11  Maar daarna keerden zij zich om+ en gingen de dienstknechten en de dienstmaagden die zij vrij hadden laten gaan terughalen, en zij onderwierpen hen vervolgens als dienstknechten en als dienstmaagden.+ 12  Dientengevolge kwam het woord van Jehovah van de zijde van Jehovah tot Jeremi̱a en het luidde: 13  „Dit heeft Jehovah, de God van I̱sraël, gezegd: ’Ikzelf heb een verbond gesloten met UW voorvaders,+ op de dag dat ik hen uit het land Egy̱pte, uit het huis der knechten,*+ leidde,+ door te zeggen: 14  „Na verloop van zeven* jaar dient een ieder van U zijn broeder, een Hebreeër,+ die aan u verkocht werd+ en die u zes jaar heeft gediend, te laten gaan;+ en gij moet hem vrij van u laten weggaan.” Maar UW voorvaders hebben niet naar mij geluisterd, noch neigden zij hun oor.+ 15  En GIJ, GIJ keert U heden om en doet wat recht is in mijn ogen, door vrijlating uit te roepen, een ieder voor zijn metgezel, en GIJ sluit een verbond voor mijn aangezicht+ in het huis waarover mijn naam is uitgeroepen.+ 16  Dan keert GIJ U om+ en ontheiligt mijn naam+ en haalt ieder van U zijn dienstknecht en ieder zijn dienstmaagd terug, die GIJ naar het believen van hun ziel* vrij hebt laten gaan, en GIJ onderwerpt hen om UW dienstknechten en dienstmaagden te worden.’+ 17  Daarom, dit heeft Jehovah gezegd: ’GIJZELF hebt mij niet gehoorzaamd door vrijlating te blijven uitroepen,+ een ieder voor zijn broeder en een ieder voor zijn metgezel. Ziet, ik roep voor U een vrijlating uit’,+ is de uitspraak van Jehovah, ’aan het zwaard,+ aan de pestilentie+ en aan de hongersnood,+ en ik zal U stellig tot beving maken voor alle koninkrijken der aarde.+ 18  En ik wil de mannen* [prijs]geven die mijn verbond hebben overtreden,+ doordat zij de woorden van het verbond niet ten uitvoer hebben gebracht, dat zij voor mijn aangezicht hebben gesloten* [met gebruikmaking van] het kalf dat zij in tweeën hebben gesneden+ om tussen de stukken ervan door te gaan,+ 19  [namelijk] de vorsten van Ju̱da en de vorsten van Jeru̱zalem,+ de hofbeambten en de priesters en heel het volk van het land,* die tussen de stukken van het kalf zijn doorgegaan — 20  ja, ik wil hen geven in de hand van hun vijanden en in de hand van hen die hun ziel zoeken,+ en hun dode lichamen moeten tot voedsel worden voor de vliegende schepselen van de hemel en voor de dieren der aarde.+ 21  En Zedeki̱a, de koning van Ju̱da,+ en zijn vorsten zal ik geven in de hand van hun vijanden en in de hand van hen die hun ziel zoeken en in de hand van de strijdkrachten van de koning van Ba̱bylon,+ die van U wegtrekken.’+ 22  ’Ziet, ik geef bevel’, is de uitspraak van Jehovah, ’en ik zal hen stellig terugbrengen naar deze stad,+ en zij moeten tegen haar strijden en haar innemen en haar met vuur verbranden;+ en de steden van Ju̱da zal ik maken tot een verlaten woestenij, zonder inwoner.’”+

Voetnoten

Zie 2:2 vtn., „Ga”.
Of: „vrijheid.” Hebr.: derōrʹ.
Of: „slaven.”
„Zeven”, MTSyVg; LXX: „zes.”
„Naar het believen van hun ziel.” Of: „waarheen zij wensten.” Lett.: „voor hun ziel.” Vgl. De 21:14 vtn.
„De mannen.” Hebr.: ha·ʼana·sjimʹ, mv. van ʼisj.
Lett.: „zij . . . hebben gesneden.” Hebr.: kor·thoeʹ; hetzelfde woord als voor het versnijden van het kalf.
„Het volk van het land.” Hebr.: ʽam ha·ʼaʹrets.