Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Jeremia 19:1-15

19  Dit heeft Jehovah gezegd: „Ga,* en gij moet een aardewerken pottenbakkerspul nemen+ en enigen van de oudere mannen van het volk en enigen van de oudere mannen der priesters.  En gij moet uitgaan naar het dal van de zoon van Hi̱nnom,*+ dat aan de ingang van de Schervenpoort* ligt. En daar moet gij de woorden uitroepen die ik tot u zal spreken.+  En gij moet zeggen: ’Hoort het woord van Jehovah, o GIJ koningen van Ju̱da en GIJ inwoners van Jeru̱zalem.+ Dit heeft Jehovah der legerscharen,+ de God* van I̱sraël, gezegd: „Zie, ik breng een rampspoed over deze plaats, waarvan een ieder die het hoort, de oren zullen tuiten,+  omdat zij mij verlaten hebben+ en ertoe zijn overgegaan deze plaats onherkenbaar te maken+ en er offerrook te brengen aan andere goden,* die zij niet hadden gekend,+ noch zij, noch hun voorvaders, noch de koningen van Ju̱da, en zij deze plaats gevuld hebben met het bloed der onschuldigen.+  En zij bouwden de hoge plaatsen van de Ba̱äl om hun zonen in het vuur te verbranden als volledige brandoffers voor de Ba̱äl,+ iets wat ik niet geboden had en waarvan ik niet gesproken had+ en wat in mijn hart niet was opgekomen.”’+  ’„Daarom, zie! er komen dagen”, is de uitspraak van Jehovah, „dat deze plaats niet meer To̱feth+ en het dal van de zoon van Hi̱nnom+ genoemd zal worden, maar het dal van het doden.  En ik wil de raad van Ju̱da en van Jeru̱zalem in deze plaats tenietdoen,+ en ik wil hen doen vallen door het zwaard voor hun vijanden en door de hand van hen die hun ziel zoeken.+ En ik wil hun dode lichamen als voedsel geven aan de vliegende schepselen van de hemel en aan de dieren der aarde.+  En ik wil deze stad tot een voorwerp van ontzetting en tot een aanfluiting maken.+ Iedereen die er voorbijtrekt, zal star zijn van ontzetting en fluiten om al haar plagen.+  En ik wil hen het vlees van hun zonen en het vlees van hun dochters doen eten, en een ieder van hen zal het vlees van zijn naaste eten, vanwege de beklemming en vanwege de benardheid waarmee hun vijanden en zij die hun ziel zoeken, hen zullen insluiten.”’+ 10  En gij moet de pul voor de ogen van de mannen die met u meegaan, breken. 11  En gij moet tot hen zeggen: ’Dit heeft Jehovah der legerscharen gezegd: „Evenzo zal ik dit volk en deze stad breken, zoals iemand het pottenbakkersvat breekt zodat het niet meer hersteld kan worden;+ en in To̱feth+ zal men begraven totdat er geen plaats meer is* om te begraven.”’+ 12  ’Zo zal ik met deze plaats doen’, is de uitspraak van Jehovah, ’en met de inwoners ervan, ja, om deze stad als To̱feth te maken.+ 13  En de huizen van Jeru̱zalem en de huizen van de koningen van Ju̱da moeten worden als de plaats van To̱feth,+ onrein, dat wil zeggen al de huizen op de daken waarvan men offerrook heeft gebracht aan heel het heerleger van de hemel+ en drankoffers heeft uitgegoten voor andere goden.’”*+ 14  En Jeremi̱a kwam nu van To̱feth,+ waarheen Jehovah hem had gezonden om te profeteren, en ging staan in het voorhof van het huis van Jehovah en zei tot heel het volk:+ 15  „Dit heeft Jehovah der legerscharen, de God* van I̱sraël, gezegd: ’Zie, ik breng over deze stad en over al haar steden heel de rampspoed die ik tegen haar gesproken heb, omdat zij hun nek hebben verhard om mijn woorden niet te gehoorzamen.’”+

Voetnoten

Zie 2:2 vtn., „Ga”.
„Dal van de zoon van Hinnom.” Hebr.: gēʼ ven-Hin·nomʹ; Lat.: valʹlem fiʹli·i Enʹnom. Zie App. 4C.
„Schervenpoort.” Omdat deze poort toegang gaf tot het meest oostelijke deel van het dal van Hinnom, is ze waarschijnlijk identiek met de Aspoort of Mestpoort. In Jerusalem in the Old Testament, blz. 230, vtn. 1, zegt dr. J. Simons: „In plaats van ’Schervenpoort’ is de vertaling ’Pottenbakkerspoort’ of, beter misschien, ’Aardewerkpoort’ mogelijk.”
„De God van.” Hebr.: ʼElo·hēʹ.
„Aan . . . goden.” Hebr.: leʼ·lo·himʹ.
Lett.: „omdat er geen plaats is.”
„Voor . . . goden.” Hebr.: leʼ·lo·himʹ.
Zie vs. 3 vtn.