Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004) 

Jakobus 1:1-27

1  Jako̱bus,*+ een slaaf+ van God en van [de] Heer Jezus Christus, aan de twaalf stammen+ die overal verstrooid+ zijn:* Gegroet!  Beschouwt het een en al vreugde, mijn broeders, wanneer U velerlei beproevingen overkomen,+  daar GIJ weet dat deze beproefde hoedanigheid* van UW geloof volharding bewerkt.+  Maar laat de volharding haar werk voltooien, opdat GIJ volkomen+ en in alle opzichten ongeschonden moogt zijn en in niets te kort schiet.+  Schiet iemand van U daarom te kort in wijsheid,+ dan moet hij God blijven vragen,+ want hij geeft aan allen edelmoedig en zonder verwijt;+ en ze zal hem gegeven worden.+  Maar hij moet in geloof blijven vragen,+ zonder ook maar enigszins te twijfelen,*+ want wie twijfelt, is gelijk een golf van de zee, die door de wind+ gedreven en heen en weer geslingerd wordt.  Die mens moet feitelijk niet menen dat hij iets van Jehovah* zal ontvangen;+  hij is een besluiteloos*+ man, ongestadig+ in al zijn wegen.  Laat de geringe broeder echter juichen over zijn verhoging,+ 10  en de rijke+ over zijn vernedering, want als een bloem van de plantengroei zal hij voorbijgaan.+ 11  Want de zon gaat op met haar verzengende hitte en doet de plantengroei verdorren, en zijn bloem valt af en de schoonheid van haar uiterlijke verschijning gaat verloren. Zo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken.+ 12  Gelukkig is de man die beproeving blijft verduren,+ want nadat hij is goedgekeurd, zal hij de kroon des levens ontvangen,+ die Jehovah* beloofd heeft aan hen die hem blijven liefhebben.+ 13  Laat niemand, wanneer hij wordt beproefd,+ zeggen: „Ik word door God beproefd.” Want met kwade dingen kan God niet worden beproefd, noch beproeft hij zelf iemand. 14  Maar een ieder wordt beproefd doordat hij door zijn eigen begeerte meegetrokken en verlokt wordt.*+ 15  Vervolgens baart de begeerte, als ze vruchtbaar is geworden, zonde;+ de zonde op haar beurt, wanneer volbracht, brengt de dood voort.+ 16  Wordt niet misleid,+ mijn geliefde broeders. 17  Elke goede gave+ en elk volmaakt geschenk komt van boven,+ want het daalt neer van de Vader der [hemelse] lichten,+ en bij hem is geen verandering van het keren van de schaduw.*+ 18  Omdat hij het wilde,+ heeft hij ons voortgebracht door het woord der waarheid,+ opdat wij zekere eerstelingen+ van zijn schepselen zouden zijn. 19  Weet dit, mijn geliefde broeders. Ieder mens moet vlug zijn om te horen, langzaam om te spreken,+ langzaam met betrekking tot gramschap;+ 20  want de gramschap van een man bewerkt niet Gods rechtvaardigheid.+ 21  Doet daarom alle vuilheid weg en ook dat overbodige, [de] slechtheid,+ en aanvaardt met zachtaardigheid de inplanting van het woord,+ dat UW ziel* kan redden.+ 22  Wordt echter daders van het woord+ en niet alleen hoorders, door UZELF met valse overleggingen te bedriegen.+ 23  Want indien iemand een hoorder van het woord is en geen dader,+ dan gelijkt zo iemand op een man die zijn natuurlijke aangezicht in een spiegel bekijkt. 24  Want hij bekijkt zich en gaat dan weg en vergeet prompt wat voor een mens hij is. 25  Wie daarentegen tuurt* in de volmaakte wet,+ die tot de vrijheid behoort, en daarbij blijft, die zal, omdat hij geen vergeetachtig hoorder maar een dader van het werk is geworden,+ gelukkig+ zijn doordat hij [het] doet. 26  Indien iemand meent* een vormelijke aanbidder* te zijn+ en toch zijn tong niet in toom houdt,+ maar zijn eigen hart blijft bedriegen,+ diens vorm van aanbidding is waardeloos.+ 27  De vorm van aanbidding* die van het standpunt van onze God en Vader uit bezien rein+ en onbesmet+ is, is deze: voor wezen*+ en weduwen+ zorgen in hun verdrukking+ en zichzelf onbevlekt+ van de wereld bewaren.+

Voetnoten

„Jakobus.” Gelatiniseerde vorm van „Jakob”, wat „Hij die de hiel beetpakt; Verdringer” betekent. Gr.: I·a·koʹbos.
„Die overal verstrooid zijn.” Lett.: „degenen in de verstrooiing [Gr.: di·aʹspo·rai; Lat.: di·sper·si·oʹne].”
Lett.: „het beproefde.”
„Ook maar enigszins te twijfelen.” Lett.: „voor zichzelf verdeeld (verschillend) oordelend.”
Zie App. 1D.
Lett.: „twee zielen hebbend.” Gr.: di·psuʹchos; Lat.: duʹplex aʹni·mo.
„Jehovah”, J7,8,13,16,17; C(Gr.): Kuʹri·os; ItVgSyp: „God”; אAB: „hij.” Zie App. 1D.
Of: „als met aas gevangen wordt.” Lett.: „met aas gelokt wordend.”
Of: „verandering of schaduw ten gevolge van een omkering.”
Of: „uw leven” (in het Gr., Lat. en Hebr. mv.). Gr.: tas psuʹchas huʹmon; Lat.: aʹni·mas veʹstras; J17(Hebr.): naf·sjo·thē·khemʹ.
„Wie . . . tuurt.” Lett.: „De zich ernaast gebukt hebbende.”
Of: „denkt.”
„Een vormelijke aanbidder.” Lat.: re·li·gi·oʹsum, „godsdienstig (religieus)”.
„Vorm van aanbidding.” Gr.: thre·skeiʹa; Lat.: re·liʹgi·o, „godsdienst (religie)”.
Of: „[van hun ouders] beroofden.”