Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Hooglied 8:1-14

8  O dat gij als een broer van mij waart,+ zuigende de borsten van mijn moeder!+ Trof ik u buiten aan, ik zou u kussen.+ Men zou mij zelfs niet eens verachten.  Ik zou u leiden, ik zou u brengen in het huis van mijn moeder,+ die mij placht te onderwijzen. Ik zou u gekruide wijn te drinken geven,+ het verse sap van granaatappels.  Zijn linkerhand zou onder mijn hoofd zijn; en zijn rechterhand — die zou mij omhelzen.+  Ik heb U onder een eed gesteld, o dochters van Jeru̱zalem, dat GIJ niet tracht liefde [in mij] op te wekken of wakker te roepen totdat ze zich [daartoe] geneigd voelt.”+  „Wie is de vrouw+ die daar opkomt uit de wildernis,+ leunend op haar beminde?”+ „Onder de appelboom heb ik u* gewekt. Daar was uw moeder in barensweeën van u. Daar onderging zij die u baarde, weeën.+  Plaats mij als een zegel op uw* hart,+ als een zegel op uw arm; want liefde is even sterk als de dood,+ het staan op exclusieve toewijding+ is even onverzettelijk als Sjeo̱o̱l.* Haar gloed is de gloed van een vuur, de vlam van Jah.*+  Zelfs vele wateren kunnen de liefde niet uitblussen,+ ook rivieren kunnen haar niet wegspoelen.+ Indien een man* alle waardevolle dingen van zijn huis voor liefde zou geven, zouden personen ze* beslist verachten.”  „Wij hebben een kleine zuster+ die geen borsten heeft. Wat zullen wij voor onze zuster doen op de dag dat zij zal worden gevraagd?”  „Indien zij een muur is,+ zullen wij zilveren kantelen op haar bouwen; maar indien zij een deur is,+ zullen wij haar afsluiten met een cederen plank.” 10  „Ik ben een muur, en mijn borsten zijn als torens.+ In dit geval ben ik in zijn ogen geworden als zij die vrede vindt. 11  Er was een wijngaard+ die Sa̱lomo eens in Ba̱äl-Ha̱mon had. Hij gaf de wijngaard aan de bewakers over.+ Ieder placht voor de vrucht ervan duizend zilverstukken* op te brengen. 12  Mijn wijngaard, die aan mij behoort, staat tot mijn beschikking.* De duizend behoren aan u, o Sa̱lomo, en tweehonderd aan hen die zijn vrucht bewaken.” 13  „O gij die in de tuinen woont,+ de metgezellen schenken aandacht aan uw* stem. Laat mij die horen.”+ 14  „Snel weg, mijn beminde, en maak u* als een gazelle of als een hertenjong op de bergen met specerijen.”+

Voetnoten

„U”, in het Hebr. mnl.
„Uw”, in het Hebr. mnl.
„Als Sjeool.” Hebr.: khisj·ʼōlʹ; Gr.: haiʹdes; Lat.: inʹfer·us. Zie App. 4B.
„Jah.” Dit is de enige plaats in het Hooglied waar de goddelijke naam voorkomt, en wel in verkorte vorm. Zie Gins.Int, blz. 386, 387; Ps 68:4 vtn.; App. 1A.
„Man.” Hebr.: ʼisj.
Of: „hem.”
Of: „geldstukken.”
Lett.: „is voor mijn aangezicht.”
„Gij” en „uw”, in het Hebr. beide vr.
„U”, in het Hebr. mnl. Vgl. 2:8, 9, 16, 17.