Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Handelingen 8:1-40

8  Wat Sa̱u̱lus betreft, hij hechtte zijn goedkeuring aan de moord op hem.+ Op die dag brak er een zware vervolging+ los tegen de gemeente die in Jeru̱zalem was; allen werden verstrooid+ over de streken van Jude̱a en Sama̱ria, uitgezonderd de apostelen.  Doch eerbiedige mannen droegen Ste̱fanus ten grave,+ en zij hielden een grote weeklacht+ over hem.  Sa̱u̱lus evenwel ging gewelddadig tegen de gemeente tekeer. Hij drong het ene huis na het andere binnen, sleepte zowel mannen als vrouwen naar buiten en leverde hen dan over aan de gevangenis.+  Zij echter die verstrooid waren, gingen het land door en maakten het goede nieuws van het woord bekend.+  Zo daalde Fili̱ppus af naar de stad Sama̱ria+ en ging hun de Christus prediken.  De scharen schonken eensgezind aandacht aan hetgeen door Fili̱ppus werd gezegd, terwijl zij luisterden en de tekenen aanschouwden die hij verrichtte.  Want er waren er velen die onreine geesten hadden,+ en deze gingen gewoonlijk luidkeels schreeuwend uit. Bovendien werden vele verlamden+ en kreupelen genezen.  Er ontstond derhalve zeer veel vreugde in die stad.+  Nu was er in de stad een zekere man, Si̱mon genaamd, die voordien magische kunsten had beoefend+ en de natie van Sama̱ria in verbazing had gebracht, terwijl hij van zichzelf beweerde dat hij iemand van grote betekenis was.+ 10  En allen, van klein tot groot, gaven acht op hem en zeiden: „Deze man is de Kracht Gods, die Groot genoemd kan worden.” 11  Zij gaven dus acht op hem omdat hij hen reeds een geruime poos door zijn magische kunsten had verbaasd. 12  Maar toen zij Fili̱ppus geloofden, die het goede nieuws van het koninkrijk Gods+ en van de naam van Jezus Christus bekendmaakte, werden zij vervolgens gedoopt, zowel mannen als vrouwen.+ 13  Ook Si̱mon zelf werd een gelovige, en na gedoopt te zijn, bleef hij voortdurend bij Fili̱ppus;+ en hij stond verbaasd over de tekenen en grote krachtige werken die hij zag gebeuren. 14  Toen de apostelen in Jeru̱zalem vernamen dat Sama̱ria het woord van God had aangenomen,+ zonden zij Pe̱trus en Joha̱nnes naar hen toe; 15  en dezen daalden af en baden voor hen dat zij heilige geest mochten ontvangen.+ 16  Want die was nog op niemand van hen gevallen, doch zij waren alleen in de naam van de Heer Jezus gedoopt.+ 17  Toen legden zij hun de handen op+ en zij ontvingen voorts heilige geest. 18  Toen Si̱mon nu zag dat door middel van de handoplegging van de apostelen de geest werd gegeven, bood hij hun geld aan+ 19  en zei: „Geeft ook mij deze macht, opdat een ieder die ik de handen opleg, heilige geest ontvangt.” 20  Maar Pe̱trus zei tot hem: „Dat uw zilver met u verga, omdat gij hebt gedacht door middel van geld in het bezit te komen van de vrije gave Gods.+ 21  Gij hebt part noch deel aan deze zaak, want uw hart is niet recht in Gods ogen.+ 22  Heb daarom berouw over deze slechtheid van u, en smeek Jehovah*+ dat de beraming van uw hart u, indien mogelijk, vergeven mag worden, 23  want ik zie dat gij een* giftige gal+ en een band van onrechtvaardigheid zijt.”+ 24  Si̱mon gaf ten antwoord: „Smeekt gijlieden voor mij+ tot Jehovah,* dat niets van wat GIJ hebt gezegd, mij moge overkomen.” 25  Toen zij dan het getuigenis grondig hadden gegeven en het woord van Jehovah* hadden gesproken, keerden zij naar Jeru̱zalem terug, en zij gingen aan vele dorpen der Samaritanen het goede nieuws bekendmaken.+ 26  Maar Jehovah’s* engel+ sprak tot Fili̱ppus en zei: „Sta op en ga naar het zuiden, naar de weg die van Jeru̱zalem naar Ga̱za afdaalt.” (Dit is een woestijnweg.) 27  Toen stond hij op en ging, en zie! een Ethiopische+ eunuch,+ een machthebber onder Canda̱ce, de koningin van de Ethiopiërs, en die over al haar schatten [gesteld] was. Hij was naar Jeru̱zalem gegaan om te aanbidden,+ 28  maar keerde nu terug en zat in zijn wagen, terwijl hij hardop de profeet Jesa̱ja las.+ 29  Toen zei de geest+ tot Fili̱ppus: „Ga erheen en voeg u bij deze wagen.” 30  Fili̱ppus liep hard naast [de wagen] en hoorde hem hardop de profeet Jesa̱ja lezen, en hij zei: „Weet gij eigenlijk wel wat gij leest?” 31  Hij zei: „Hoe zou ik dat toch ooit kunnen, tenzij iemand mij leidt?” En hij verzocht Fili̱ppus dringend in te stappen en bij hem te komen zitten. 32  Het gedeelte van de Schrift nu dat hij hardop las, was het volgende: „Als een schaap werd hij ter slachting geleid, en als een lam dat stom is voor zijn scheerder, zo doet hij zijn mond niet open.+ 33  Gedurende zijn vernedering werd het oordeel van hem weggenomen.+ Wie zal de bijzonderheden van zijn geslacht* vertellen? Want zijn leven wordt van de aarde weggenomen.”+ 34  De eunuch antwoordde en zei tot Fili̱ppus: „Ik smeek u: Over wie zegt de profeet dit? Over zichzelf of over iemand anders?” 35  Fili̱ppus opende zijn mond,+ en te beginnen bij deze schrift[plaats]+ maakte hij hem het goede nieuws omtrent Jezus bekend. 36  Terwijl zij nu voortgingen op de weg, kwamen zij aan een zeker water, en de eunuch zei: „Zie! Hier is water, wat belet mij gedoopt te worden?”+ 37*  —— 38  Toen gebood hij de wagen te doen stilhouden, en beiden, zowel Fili̱ppus als de eunuch, daalden af in het water, en hij doopte hem. 39  Toen zij uit het water omhooggekomen waren, voerde Jehovah’s* geest Fili̱ppus vlug weg,+ en de eunuch zag hem niet meer, want hij vervolgde zijn weg met blijdschap. 40  Fili̱ppus echter werd aangetroffen in A̱sdod,* en hij trok het gebied door en bleef aan alle steden het goede nieuws bekendmaken+ totdat hij te Cesare̱a kwam.+

Voetnoten

„Jehovah”, J18,22,23; Gr.: tou Kuʹri·ou; VgSyp: „God.” Zie App. 1D.
„Gij in een”, D*Vg.
„Jehovah”, J7,8,10,13,15-18,22,23; אAB(Gr.): ton Kuʹri·on; DVghss.Syh,p: „God.” Zie App. 1D.
„Van Jehovah”, J7,8,10,17,18; אBCD(Gr.): tou Kuʹri·ou; P74ASyp: „van God.” Zie App. 1D.
Zie App. 1D.
Of: „levenswijze.”
P45,74אABCVgSyp laten vs. 37 weg; ItVgcArm: „Filippus zei tot hem: ’Indien gij met heel uw hart gelooft, is het geoorloofd.’ Hij gaf ten antwoord: ’Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is.’”
Zie App. 1D.
„Asdod”, J17,18,22; אAB: „Azotus.”