Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Handelingen 6:1-15

6  In die dagen nu, toen [het aantal] discipelen steeds toenam, begonnen de Griekssprekende+ joden* tegen de Hebreeuwssprekende joden* te murmureren, omdat hun weduwen bij de dagelijkse [voedsel]verdeling* over het hoofd werden gezien.+  De twaalf riepen daarom de menigte der discipelen bij zich en zeiden: „Wij trekken ons niet graag van het woord Gods terug ten einde [voedsel] over tafels te verdelen.*+  Ziet daarom voor UZELF uit,+ broeders, naar zeven goed bekendstaande mannen uit UW midden, vol van geest en wijsheid,+ opdat wij hen over deze noodzakelijke aangelegenheid kunnen aanstellen;  wij daarentegen zullen ons aan gebed en aan de bediening van het woord wijden.”+  En het gesprokene vond instemming bij de gehele menigte, en zij kozen Ste̱fanus, een man vol geloof en heilige geest,+ en Fili̱ppus+ en Pro̱chorus en Nika̱nor en Ti̱mon en Pa̱rmenas en Nikola̱üs, een proseliet uit Antiochi̱ë;  en zij stelden hen voor de apostelen, die, na gebeden te hebben, hun de handen oplegden.+  Zo bleef het woord van God groeien,+ en het aantal discipelen in Jeru̱zalem bleef sterk toenemen,+ en een grote schare priesters+ werd het geloof gehoorzaam.+  Ste̱fanus nu, vol van gunst en kracht, verrichtte grote wonderen en tekenen+ onder het volk.  Sommigen echter van hen die tot de zogenoemde Synagoge der Vrijgelatenen* behoorden, en van de Cyreneeërs en Alexandrijnen+ en van hen die uit Cili̱cië+ en A̱sia waren, stonden op om met Ste̱fanus te redetwisten; 10  toch waren zij niet opgewassen tegen de wijsheid+ en de geest waarmee hij sprak.+ 11  Toen stookten zij heimelijk mannen op om te zeggen:+ „Wij hebben hem lasterlijke+ woorden tegen Mo̱zes en God horen spreken.” 12  En zij hitsten het volk en de oudere mannen* en de schriftgeleerden op, en zij overvielen hem plotseling, maakten zich met geweld van hem meester en voerden hem naar het Sa̱nhedrin.+ 13  En zij lieten valse getuigen optreden,+ die zeiden: „Deze mens houdt niet op tegen deze heilige plaats en tegen de Wet te spreken.+ 14  Wij hebben hem bijvoorbeeld horen zeggen dat deze Jezus de Nazarener deze plaats zal afbreken en de gebruiken die Mo̱zes ons heeft overgeleverd, zal veranderen.” 15  En toen allen die in het Sa̱nhedrin zaten, met gespannen aandacht naar hem keken,+ zagen zij dat zijn aangezicht als het aangezicht van een engel was.+

Voetnoten

Lett.: „de hellenisten.” Gr.: ton Hel·le·niʹston; Lat.: Grae·coʹrum.
Lett.: „de Hebreeën.” Gr.: tous E·braiʹous; Lat.: He·braeʹos.
Of: „bij de . . . bediening.” Gr.: en tei di·a·koʹni·ai; Lat.: in mi·ni·steʹri·o.
Of: „[ten einde tafels] te bedienen.” Gr.: di·aʹko·nein; Lat.: mi·ni·straʹre.
Lett.: „Libertijnen.” Arm: „Libiërs.”
„Oudere mannen.” Of: „oudsten.” Gr.: pre·sbuʹte·rous.