Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Handelingen 3:1-26

3  Pe̱trus en Joha̱nnes nu gingen op naar de tempel voor het uur van gebed, het negende uur,*+  en er werd een zekere man aangedragen die van de schoot van zijn moeder af+ kreupel was, en dagelijks zetten zij hem bij de tempeldeur die de Schone+ werd genoemd neer om gaven van barmhartigheid te vragen van hen die de tempel binnengingen.+  Toen hij Pe̱trus en Joha̱nnes gewaar werd, die juist de tempel wilden binnengaan, verzocht hij voorts of hij gaven van barmhartigheid+ mocht ontvangen.  Maar Pe̱trus, evenals Joha̱nnes, zag hem strak aan+ en zei: „Kijk ons eens aan.”  Derhalve vestigde hij zijn aandacht op hen, in de verwachting iets van hen te krijgen.  Doch Pe̱trus zei: „Zilver en goud bezit ik niet, maar wat ik wél heb, geef ik u:+ In de naam van Jezus Christus de Nazarener,+ loop!”+  Toen pakte hij hem bij de rechterhand+ en richtte hem op. Ogenblikkelijk werden zijn voetzolen en de beenderen van zijn enkels stevig,+  en met een sprong+ stond hij overeind en ging lopen, en al lopend en springend ging hij met hen de tempel binnen,+ terwijl hij God loofde.  En het gehele volk+ zag hoe hij liep en God loofde. 10  Bovendien herkenden zij hem toen als de man die gewoonlijk voor gaven van barmhartigheid aan de Schone+ Poort van de tempel zat, en zij werden met verbazing en verrukking+ vervuld over hetgeen met hem gebeurd was. 11  Terwijl de man zich nu aan Pe̱trus en Joha̱nnes vastklampte, liep al het volk, dat buiten zichzelf was van verbazing, rondom hen te hoop in de zogenoemde zuilengang van Sa̱lomo.+ 12  Toen Pe̱trus dit zag, zei hij tot het volk: „Mannen van I̱sraël, waarom verwondert GIJ U hierover, of waarom staart GIJ ons aan alsof wij hem door eigen kracht of godvruchtige toewijding hebben doen lopen?+ 13  De God van A̱braham en van I̱saäk en van Ja̱kob,+ de God van onze voorvaders, heeft zijn Knecht,+ Jezus, verheerlijkt,+ die GÍJ́ hebt overgeleverd+ en voor het aangezicht van Pila̱tus hebt verloochend, ofschoon deze besloten had hem vrij te laten.+ 14  Ja, GIJ hebt die heilige en rechtvaardige+ verloochend, en GIJ hebt gevraagd dat U een man, een moordenaar,+ geschonken zou worden; 15  de Voornaamste Bewerker van het leven+ daarentegen hebt GIJ gedood. Maar God heeft hem uit de doden opgewekt, van welk feit wij getuigen zijn.+ 16  Daarom heeft zijn naam, door [ons] geloof in zijn naam, deze man, die GIJ ziet en kent, sterk gemaakt, en het geloof dat door bemiddeling van hem is, heeft de man deze volledige gezondheid geschonken ten aanschouwen van U allen. 17  En nu, broeders, ik weet dat GIJ in onwetendheid+ hebt gehandeld, evenals UW regeerders.+ 18  Maar op deze wijze heeft God datgene wat hij tevoren bij monde van alle profeten had aangekondigd, dat zijn Christus zou lijden,+ in vervulling doen gaan. 19  Hebt daarom berouw+ en keert U om,+ opdat UW zonden worden uitgewist,+ opdat er tijden* van verkwikking+ mogen komen van de persoon* van Jehovah* 20  en hij de voor U bestemde Christus moge uitzenden, Jezus, 21  die weliswaar in de hemel zelf moet verblijven*+ tot de tijden van het herstel+ van alle dingen, waarover God bij monde van zijn heilige profeten van oudsher heeft gesproken.+ 22  In feite heeft Mo̱zes gezegd: ’Jehovah* God zal uit het midden van UW broeders een profeet voor U verwekken gelijk mij.+ Naar hem moet GIJ luisteren overeenkomstig alles wat hij tot U spreekt.+ 23  Ja, elke ziel die niet naar die Profeet luistert, zal volledig worden verdelgd uit het midden van het volk.’+ 24  En alle profeten trouwens, van Sa̱muël af en die daarna zijn gevolgd, zovelen als er hebben gesproken, hebben deze dagen ook duidelijk bekendgemaakt.+ 25  GIJ zijt de zonen+ van de profeten en van het verbond dat God met UW voorvaders is aangegaan, toen hij tot A̱braham zei: ’En in uw zaad* zullen alle families van de aarde gezegend worden.’+ 26  God heeft zijn Knecht, na hem verwekt te hebben, het eerst+ tot U gezonden om U te zegenen door een ieder van U van UW goddeloze daden af te keren.”

Voetnoten

D.w.z. omstreeks 3 uur ’s middags, gerekend vanaf zonsopgang.
Of: „bestemde tijden.” Gr.: kaiʹroi.
Lett.: „van [het] aangezicht.”
Zie App. 1D.
Of: „die . . . door de hemel zelf ontvangen (opgenomen) moet worden.”
„Jehovah”, J7,8,10-18,20,22-24,28 en LXXP. Foead Inv. 266 in De 18:15; Gr.: Kuʹri·os. Zie App. 1D.
Of: „nageslacht.”