Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Handelingen 23:1-35

23  Terwijl Pa̱u̱lus het Sa̱nhedrin strak aankeek, zei hij: „Mannen, broeders, ik heb mij tot op deze dag met een volmaakt zuiver geweten+ voor God gedragen.”  Hierop beval de hogepriester Anani̱as degenen die bij hem stonden, hem op de mond te slaan.+  Toen zei Pa̱u̱lus tot hem: „God zal u slaan, gij witgekalkte+ muur. Zit gij daar om mij naar de Wet te oordelen+ en gebiedt terzelfder tijd, in overtreding van de Wet,+ mij te slaan?”  De omstanders zeiden: „Beschimpt gij de hogepriester van God?”  En Pa̱u̱lus zei: „Ik wist niet, broeders, dat hij hogepriester was. Want er staat geschreven: ’Gij moogt niet nadelig spreken over een regeerder van uw volk.’”+  Toen Pa̱u̱lus nu merkte dat het ene gedeelte uit Sadduceeën+ maar het andere uit Farizeeën bestond, riep hij daarop in het Sa̱nhedrin uit: „Mannen, broeders, ik ben een Farizeeër,+ een zoon van Farizeeën. Met betrekking tot de hoop op de opstanding+ der doden word ik geoordeeld.”+  Omdat hij dit had gezegd, ontstond er onenigheid+ tussen de Farizeeën en Sadduceeën, en de menigte raakte verdeeld.  Want de Sadduceeën+ zeggen dat er geen opstanding is,+ noch engel, noch geest, maar de Farizeeën maken die alle* in het openbaar bekend.  Zo ontstond er dan een luid geschreeuw,+ en sommigen van de schriftgeleerden van de partij der Farizeeën stonden op en gingen heftig twisten en zeiden: „Wij vinden niets verkeerds in deze mens;+ maar indien er een geest of een engel tot hem heeft gesproken+ —.” 10  Toen nu de onenigheid nog groter werd, vreesde de militaire bevelhebber dat Pa̱u̱lus door hen in stukken gescheurd zou worden, en hij gebood het soldatenkorps+ naar beneden te gaan en hem uit hun midden weg te rukken en in het soldatenkwartier te brengen.+ 11  De volgende nacht echter stond de Heer bij hem+ en zei: „Houd goede moed!+ Want zoals gij in Jeru̱zalem een grondig getuigenis+ hebt gegeven over de dingen aangaande mij, zo moet gij ook in Ro̱me getuigenis afleggen.”+ 12  Toen het nu dag werd, smeedden de joden een samenzwering+ en verbonden zich met een vervloeking+ door te zeggen dat zij noch eten noch drinken zouden totdat zij Pa̱u̱lus hadden gedood.+ 13  Het waren er meer dan veertig die deze met een eed bekrachtigde samenzwering hadden gesmeed; 14  en zij gingen naar de overpriesters+ en de oudere mannen* en zeiden: „Wij hebben ons met een vervloeking plechtig verbonden geen hap voedsel te gebruiken voordat wij Pa̱u̱lus hebben gedood. 15  Geeft GIJ nu daarom te zamen met het Sa̱nhedrin de militaire bevelhebber duidelijk te verstaan waarom hij hem naar U toe moet brengen, alsof het UW bedoeling was de zaken hem aangaande nauwkeuriger vast te stellen.+ Maar voordat hij dichtbij komt, zullen wij klaarstaan om hem om het leven te brengen.”+ 16  De zoon van Pa̱u̱lus’ zuster hoorde echter dat zij op de loer lagen,+ en hij ging naar het soldatenkwartier, begaf zich naar binnen en berichtte het aan Pa̱u̱lus. 17  Pa̱u̱lus riep toen een van de legeroversten bij zich en zei: „Breng deze jonge man naar de militaire bevelhebber, want hij heeft hem iets te berichten.” 18  Deze dan nam hem mee en bracht hem naar de militaire bevelhebber en zei: „De gevangene Pa̱u̱lus heeft mij bij zich geroepen en mij verzocht deze jonge man naar u toe te brengen, omdat hij u iets te zeggen heeft.” 19  De militaire bevelhebber pakte hem+ bij de hand en nam hem terzijde en informeerde toen onder vier ogen: „Wat hebt gij mij te berichten?” 20  Hij zei: „De joden zijn overeengekomen u te verzoeken Pa̱u̱lus morgen naar het Sa̱nhedrin te brengen, als was het hun bedoeling het een en ander nauwkeuriger omtrent hem te vernemen.+ 21  Laat u vooral niet door hen overreden, want meer dan veertig mannen van hen loeren+ op hem, en zij hebben zich met een vervloeking verbonden noch te eten noch te drinken voordat zij hem om het leven hebben gebracht;+ en nu staan zij klaar en wachten op uw toezegging.” 22  De militaire bevelhebber dan liet de jonge man gaan na hem te hebben bevolen: „Verklap aan niemand dat gij mij deze dingen duidelijk hebt gemaakt.” 23  En hij ontbood een tweetal legeroversten en zei: „Maakt tweehonderd soldaten gereed om naar Cesare̱a te marcheren, alsmede zeventig ruiters en tweehonderd speerdragers, op het derde uur* van de nacht. 24  Zorgt ook voor lastdieren, opdat zij Pa̱u̱lus kunnen laten rijden en hem veilig naar de stadhouder Fe̱lix kunnen overbrengen.” 25  En hij schreef een brief die aldus was gesteld: 26  „Cla̱u̱dius Ly̱sias aan zijne excellentie, stadhouder Fe̱lix:+ Gegroet! 27  Deze man werd door de joden gegrepen en werd al bijna door hen om het leven gebracht, maar ik kwam plotseling met een korps soldaten en ontzette hem,+ omdat ik vernam dat hij een Romein was.+ 28  En daar ik de reden te weten wenste te komen waarom zij hem beschuldigden, heb ik hem naar hun Sa̱nhedrin gebracht.*+ 29  Ik kwam tot de bevinding dat hij werd beschuldigd inzake vraagstukken van hun Wet,+ maar dat hem niets ten laste werd gelegd wat dood of boeien verdient.+ 30  Maar omdat er aan mij is onthuld dat er een complot+ tegen de man gesmeed zal worden, zend ik hem terstond naar u toe en gebied de beschuldigers om in uw tegenwoordigheid te zeggen wat zij tegen hem hebben.”+ 31  Deze soldaten+ dan namen Pa̱u̱lus, zoals hun was bevolen, mee en brachten hem ’s nachts naar Anti̱patris. 32  De volgende dag lieten zij de ruiters met hem verder gaan en keerden zelf naar het soldatenkwartier terug. 33  De [ruiters] gingen Cesare̱a+ binnen en overhandigden de brief aan de stadhouder en leverden ook Pa̱u̱lus aan hem af. 34  Hij dan las [de brief] en informeerde uit welke provincie hij was en vernam+ dat hij uit Cili̱cië+ was. 35  „Ik zal u een grondig verhoor afnemen”, zo zei hij, „wanneer ook uw beschuldigers zijn aangekomen.”+ En hij gebood dat hij in het pretoriaanse paleis van Hero̱des onder bewaking gehouden zou worden.

Voetnoten

Lett.: „die beide (dingen).”
Of: „oudsten.” Gr.: pre·sbuʹte·rois.
D.w.z. omstreeks 9 uur ’s avonds, gerekend vanaf zonsondergang.
„Heb ik hem naar hun Sanhedrin gebracht”, P74אAVgSyp; B* laat het weg.