Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Handelingen 12:1-25

12  Omstreeks diezelfde tijd sloeg koning Hero̱des* de hand aan enkele [leden] van de gemeente om hen te mishandelen.+  Hij bracht Jako̱bus, de broer van Joha̱nnes,+ door het zwaard om het leven.+  Toen hij zag dat dit de joden aangenaam was,+ nam hij vervolgens ook Pe̱trus gevangen. (Nu waren het juist de dagen der ongezuurde broden.+)  En toen hij hem in handen had gekregen, zette hij hem in de gevangenis+ en gaf hem ter bewaking over aan vier ploegen soldaten, elk van vier man, daar hij van plan was hem na het Pascha+ voor het volk te doen verschijnen.  Dientengevolge werd Pe̱trus in de gevangenis gehouden, maar door de gemeente werd vurig voor hem tot God gebeden.+  Toen nu Hero̱des op het punt stond hem voor te leiden, lag Pe̱trus die nacht met twee ketens vastgebonden tussen twee soldaten te slapen, terwijl wachtposten vóór de deur de gevangenis bewaakten.  Maar zie! daar stond Jehovah’s* engel,+ en er scheen een licht in de gevangeniscel. Hij stootte Pe̱trus in de zij om hem te wekken+ en zei: „Sta vlug op!” En zijn ketens vielen+ van zijn handen.  De engel+ zei tot hem: „Omgord u en bind uw sandalen onder.” Hij deed het. Ten slotte zei hij tot hem: „Doe uw bovenkleed+ aan en blijf mij volgen.”  En hij ging naar buiten en bleef hem volgen, maar hij wist niet dat het werkelijkheid was wat door bemiddeling van de engel gebeurde. In feite verkeerde hij in de veronderstelling dat hij een visioen zag.+ 10  Nadat zij de eerste en de tweede schildwacht waren gepasseerd, kwamen zij aan de ijzeren poort die toegang gaf tot de stad, en deze ging vanzelf voor hen open.+ En buitengekomen, gingen zij één straat ver, en onmiddellijk ging de engel van hem weg. 11  Toen kwam Pe̱trus tot zichzelf en zei: „Nu weet ik inderdaad dat Jehovah* zijn engel heeft uitgezonden+ en mij uit de hand van Hero̱des en van alles wat het volk der joden verwachtte, heeft bevrijd.”+ 12  En nadat hij het had overdacht, ging hij naar het huis van Mari̱a, de moeder van Joha̱nnes, die de bijnaam Ma̱rkus droeg,+ waar vrij velen vergaderd waren en baden. 13  Toen hij op de poortdeur klopte, kwam er een dienstmeisje, Rho̱dé genaamd, om te horen wie er was, 14  en toen zij de stem van Pe̱trus herkende, deed zij van vreugde de poort niet open, maar rende naar binnen en meldde dat Pe̱trus voor de poort stond. 15  Zij zeiden tot haar: „Gij zijt waanzinnig.” Maar zij bleef krachtig volhouden dat het zo was. Toen zeiden zij: „Het is zijn engel.”+ 16  Maar Pe̱trus bleef kloppen. Toen zij opendeden, zagen zij hem en waren verbaasd. 17  Hij wenkte+ hun echter met de hand dat zij zwijgen moesten en vertelde hun uitvoerig hoe Jehovah* hem uit de gevangenis had gebracht, en hij zei: „Bericht deze dingen aan Jako̱bus+ en de broeders.” Daarna vertrok hij en begaf zich naar een andere plaats. 18  Nu dan, toen het dag werd,+ heerste er onder de soldaten geen geringe opschudding over wat er toch wel van Pe̱trus geworden was. 19  Hero̱des+ liet hem naarstig zoeken, en toen men hem niet vond, nam hij de wachtposten in verhoor en gebood dat zij weggeleid zouden worden [om te worden gestraft];+ en hij vertrok van Jude̱a naar Cesare̱a en bracht daar enige tijd door. 20  Nu was hij in een stemming om ten strijde te trekken tegen de mensen van Ty̱rus en van Si̱don. Daarom kwamen zij eensgezind* naar hem toe, en nadat zij Bla̱stus, die met het toezicht over het slaapvertrek van de koning belast was, hadden overreed, gingen zij om vrede smeken, omdat hun land door dat van de koning van voedsel werd voorzien.+ 21  Maar op een vastgestelde dag stak Hero̱des zich in een koninklijk gewaad en nam op de rechterstoel plaats en ging een openbare toespraak tot hen houden. 22  Waarop het bijeengekomen volk schreeuwde: „De stem van een god en niet van een mens!”+ 23  Ogenblikkelijk sloeg de engel van Jehovah* hem,+ omdat hij de heerlijkheid niet aan God gaf;+ en hij werd door wormen opgegeten en blies de laatste adem uit. 24  Het woord+ van Jehovah* bleef echter groeien en verbreidde zich steeds meer.+ 25  Wat Ba̱rnabas+ en Sa̱u̱lus betreft, nadat zij de dienst in verband met het ondersteuningswerk+ in Jeru̱zalem volledig hadden uitgevoerd, keerden zij terug en namen Joha̱nnes,+ degene die de bijnaam Ma̱rkus droeg, mee.

Voetnoten

D.w.z. Herodes Agrippa I.
Zie App. 1D.
Zie App. 1D.
Zie App. 1D.
Of: „gingen zij . . . hun opwachting [bij hem] maken.” Lett.: „waren zij . . . ernaast (erbij).”
Zie App. 1D.
„Van Jehovah”, J7,8,10,23; B(Gr.): tou Kuʹri·ou; P74אADSyp: „van God.” Zie App. 1D.