Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Habakuk 3:1-19

3  Het gebed van de profeet Ha̱bakuk in klaagliederen:*  O Jehovah, ik heb het bericht over u gehoord.+ Ik ben bevreesd geworden, o Jehovah, voor uw activiteit.+ O breng ze in het midden der jaren tot leven! Moogt gij ze in het midden der jaren bekendmaken. Moogt gij er tijdens de beroering aan denken barmhartigheid te betonen.+  God* zelf kwam voorts van Te̱man,* ja, een Heilige van de berg Pa̱ran.+ Sela.*+ Zijn waardigheid bedekte [de] hemel;+ en van zijn lof werd de aarde vervuld.+  Wat [zijn*] glans betreft, deze werd net als het licht.+ Hij had twee stralen* [die] van zijn hand [uitgingen], en daar ging zijn sterkte schuil.+  Voor hem uit bleef de pest gaan,+ en brandende koorts ging steeds uit aan zijn voeten.+  Hij stond stil, om [de] aarde dooreen te schudden.+ Hij zag en deed de natiën vervolgens opspringen.+ En de eeuwige bergen werden verpletterd;+ de voor onbepaalde tijd blijvende heuvels bogen zich neer.+ De gangen van weleer zijn de zijne.  Onder dat wat schadelijk is, zag ik de tenten van Ku̱schan.* De tentkleden van het land Mi̱dian+ kwamen in beroering.+  Is het tegen de rivieren, o Jehovah, is het tegen de rivieren dat uw toorn ontbrand is,+ of is uw verbolgenheid tegen de zee [gericht]?+ Want gij zijt op uw paarden gaan rijden;+ uw wagens waren redding.+  In [zijn] naaktheid wordt uw boog ontbloot.+ De gezworen eden van [de] stammen zijn datgene wat is gezegd.*+ Sela. Met rivieren hebt gij voorts [de] aarde gespleten.+ 10  Bergen zagen u; ze krompen van pijn ineen.+ Een onweersbui van water trok door. De waterdiepte* bracht haar geluid voort.+ In de hoogte hief ze haar handen op. 11  Zon — maan — stonden stil+ in [hun] verheven woning.+ Als licht bleven uw eigen pijlen gaan.+ Het bliksemen van uw speer diende tot glans.+ 12  Met openlijke veroordeling doorschreedt gij voorts de aarde. In toorn zijt gij [de] natiën gaan dorsen.+ 13  En gij zijt uitgetrokken tot de redding van uw volk,+ om uw gezalfde* te redden. Gij hebt het hoofd uit het huis van de goddeloze verpletterd.+ Het fundament werd blootgelegd, ja, tot de hals toe.+ Sela. 14  Met zijn eigen staven hebt gij [het] hoofd van zijn krijgslieden doorboord+ [toen] zij aanstormden om mij te verstrooien.+ Hun uitgelaten gejubel was als van hen die eropuit zijn een ellendige in een schuilplaats te verslinden.+ 15  Door de zee heen zijt gij [met] uw paarden getreden, [door] de massa uitgestrekte wateren heen.+ 16  Ik hoorde [het], en mijn buik kwam in beroering; bij het geluid trilden mijn lippen; verrotting drong voorts in mijn beenderen;+ en in mijn toestand was ik in beroering, dat ik rustig de dag der benauwdheid moest afwachten,*+ [wanneer hij] optrekt tegen het volk,+ [om] een overval op hen te plegen. 17  Al bloeit zelfs [de] vijgenboom niet,+ en is er geen opbrengst aan de wijnstokken, al loopt het werk van [de] olijfboom werkelijk op een mislukking uit, en brengen zelfs de terrassen werkelijk geen voedsel voort,+ al wordt [het] kleinvee werkelijk afgesneden van [de] kooi, en is er geen rundvee in de omheinde ruimten+ 18  Toch wil ik, wat mij betreft, mij uitbundig in Jehovah verheugen;+ ik wil blij zijn in de God* van mijn redding.+ 19  Jehovah, de Soevereine Heer, is mijn vitale kracht;+ en hij zal mijn voeten maken als die van de hinden,+ en op mijn hoge plaatsen zal hij mij doen treden.+ Aan de leider, op mijn snaarinstrumenten.

Voetnoten

„Klaagliederen.” Hebr.: sjigh·jo·nōthʹ; LXX: „een lied”; Vg: „(voor) daden van onwetendheid; (voor) onwetendheden.” Zie Ps 7:Ops. vtn., „Klaaglied”.
„God.” Hebr.: ʼElōʹah, enk.; Gr.: Theʹos; Lat.: Deʹus.
„Van Teman.” Hebr.: mit·Tē·manʹ; Gr.: ek Thaiʹman. Of: „uit het zuiden”, zoals in Vg; vgl. Ex 26:18, 35.
„Sela.” Hebr.: seʹlah; Gr.: di·a·psalʹma, „muzikaal tussenspel”. Het woord komt drie keer in dit gebed van Habakuk voor. Zie Ps 3:2 vtn., „Sela”.
„Zijn”, LXXSyVg; M laat het weg.
Lett.: „hoornen.” Vgl. Ex 34:29, 30, 35.
„Kuschan”, MSy; LXX: „de Ethiopiërs”; Vg: „Ethiopië.”
„In [zijn] naaktheid . . . datgene wat is gezegd”, M; LXXBagster: „Stellig spande gij uw boog tegen scepters, zegt de Heer [LXXVTS 10a: „Jehovah”].” Zie App. 1C (2).
Of: „woelige wateren.” Hebr.: tehōmʹ; Syr.: tehoe·maʼ; LXXVg: „afgrond.” Zie Ge 1:2 vtn., „Waterdiepte”.
„Uw gezalfde.” Hebr.: mesji·cheʹkha; LXXBagster(Gr.): chriʹston; Lat.: chriʹsto.
„Ik moest weeklagen (jammeren) voor . . .”, KB, blz. 602.
„In de God van.” Hebr.: bEʼ·lo·hēʹ.