Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Genesis 42:1-38

42  Ten slotte zag Ja̱kob dan dat er in Egy̱pte graan was.+ Toen zei Ja̱kob tot zijn zonen: „Waarom blijft GIJ elkaar aankijken?”  En hij voegde eraan toe: „Ziet, ik heb gehoord dat er in Egy̱pte graan is.+ Daalt daarheen af en koopt vandaar [koren] voor ons, opdat wij in leven blijven en niet sterven.”  Bijgevolg daalden tien broers+ van Jo̱zef af om koren uit Egy̱pte te kopen.  Maar Ja̱kob zond Be̱njamin,+ Jo̱zefs broer, niet met zijn andere broers mee, want hij zei: „Anders overkomt hem misschien een dodelijk ongeluk.”*+  I̱sraëls zonen dan kwamen tegelijk met de anderen die kwamen kopen, want de hongersnood heerste in het land Ka̱naän.+  En Jo̱zef was de machthebber over het land.+ Hij was degene die aan al het volk van de aarde verkocht.+ Dientengevolge kwamen Jo̱zefs broers en bogen zich diep voor hem met hun aangezicht ter aarde.+  Toen nu Jo̱zef zijn broers zag, herkende hij hen dadelijk, maar hij maakte zich onherkenbaar voor hen.+ Daarom sprak hij hun met hardheid toe en zei tot hen: „Waar zijt GIJ vandaan gekomen?”, waarop zij zeiden: „Uit het land Ka̱naän, om levensmiddelen te kopen.”+  Aldus herkende Jo̱zef zijn broers, maar zíȷ́ herkenden hem niet.  Onmiddellijk herinnerde Jo̱zef zich de dromen die hij met betrekking tot hen had gedroomd,+ en hij zei verder tot hen: „GIJ zijt verspieders! GIJ zijt gekomen om te zien waar het land open en bloot ligt!”*+ 10  Toen zeiden zij tot hem: „Neen, mijn heer,+ maar uw knechten+ zijn gekomen om levensmiddelen te kopen. 11  Wij zijn allen zonen van slechts één man. Wij zijn oprechte mensen. Uw knechten treden niet als verspieders op.”+ 12  Maar hij zei tot hen: „Niet waar! Want GIJ zijt gekomen om te zien waar het land open en bloot ligt.”+ 13  Hierop zeiden zij: „Uw knechten zijn twaalf broers.+ Wij zijn de zonen van slechts één man+ in het land Ka̱naän; en zie, de jongste is heden bij onze vader,+ terwijl de andere er niet meer is.”+ 14  Jo̱zef zei echter tot hen: „Het is zoals ik tot U gesproken heb, toen ik zei: ’GIJ zijt verspieders!’ 15  Hierdoor zult GIJ getoetst worden. Zo waar Farao leeft, GIJ zult van hier niet weggaan, tenzij UW jongste broer hierheen komt.+ 16  Stuurt een van U om UW broer te halen, terwijl GIJ geboeid blijft, opdat UW woorden getoetst mogen worden als [zijnde] de waarheid in UW geval.+ En zo niet, zo waar Farao leeft, dan zijt GIJ verspieders.” 17  Daarop stelde hij hen drie dagen lang te zamen in verzekerde bewaring. 18  Daarna zei Jo̱zef op de derde dag tot hen: „Doet dit en blijft in leven. Ik vrees+ de [ware] God. 19  Indien GIJ oprecht zijt, laat dan een van UW broers geboeid blijven in het huis waar GIJ in verzekerde bewaring zijt,+ maar de overigen van U: gaat, neemt graan voor de hongersnood in UW huizen.+ 20  Dan zult GIJ UW jongste broer bij mij brengen, opdat UW woorden betrouwbaar bevonden mogen worden; en GIJ zult niet sterven.”+ Toen deden zij zo. 21  Nu zeiden zij tot elkaar: „Ongetwijfeld zijn wij schuldig met betrekking tot onze broer,+ want wij zagen zijn zielsbenauwdheid, toen hij ons om mededogen smeekte, maar wij hebben niet geluisterd. Daarom is deze benauwdheid over ons gekomen.”+ 22  Toen antwoordde Ru̱ben hun en zei: „Heb ik U niet gezegd: ’Bezondigt U niet aan het kind’, maar GIJ hebt niet geluisterd?+ En ziet, nu wordt zijn bloed stellig teruggeëist.”+ 23  Zij nu wisten niet dat Jo̱zef luisterde, want er was een tolk tussen hen. 24  Dientengevolge wendde hij zich van hen af en weende toen.+ Daarop keerde hij tot hen terug en sprak tot hen en nam Si̱meon+ van hen weg en boeide hem voor hun ogen.+ 25  Daarna gaf Jo̱zef bevel en men vulde toen hun zakken met koren. Ook moesten zij het geld van de mannen in ieders zak terugleggen+ en hun mondvoorraad voor de reis geven.+ Bijgevolg werd hun zo gedaan. 26  Zij dan laadden hun graan op hun ezels en gingen vandaar op weg. 27  Toen één zijn zak opendeed om in het nachtverblijf zijn ezel voer te geven,+ zag hij prompt zijn geld, en zie, het was in de opening van zijn zak.+ 28  Daarop zei hij tot zijn broers: „Mijn geld is teruggegeven, en nu, ziet, het is in mijn zak!” Toen ontzonk hun de moed, zodat zij zich bevend tot elkaar wendden+ en zeiden: „Wat heeft God ons nu aangedaan?”+ 29  Ten slotte kwamen zij bij hun vader Ja̱kob, in het land Ka̱naän, en vertelden hem wat hun allemaal overkomen was, en zeiden: 30  „De man die de heer* van het land is, heeft ons met hardheid toegesproken,+ daar hij ons hield voor mensen die het land kwamen verspieden.+ 31  Maar wij zeiden tot hem: ’Wij zijn oprechte mensen.+ Wij treden niet als verspieders op. 32  Wij zijn twaalf broers,+ de zonen van onze vader.+ Eén is er niet meer,+ en de jongste is heden bij onze vader in het land Ka̱naän.’+ 33  Maar de man die de heer van het land is, zei tot ons:+ ’Hieraan zal ik weten dat GIJ oprecht zijt:+ Laat een van UW broers bij mij blijven.+ Neemt GIJ vervolgens iets mee voor de hongersnood in UW huizen en gaat heen.+ 34  En brengt UW jongste broer bij mij, opdat ik weet dat GIJ geen verspieders zijt, maar dat GIJ oprecht zijt. UW broer zal ik U teruggeven, en GIJ moogt zaken doen in het land.’”+ 35  Het geschiedde dan toen zij hun zakken ledigden, dat zie, ieders buidel met geld in zijn zak was. Zowel zij als hun vader zagen nu hun buidels met geld, en zij werden bevreesd. 36  Toen riep hun vader Ja̱kob uit tot hen: „Mij hebt GIJ van kinderen beroofd!+ Jo̱zef is er niet meer en Si̱meon is er niet meer,+ en Be̱njamin zult GIJ nog wegnemen! Op mij is dit allemaal neergekomen!” 37  Maar Ru̱ben zei tot zijn vader: „Mijn eigen twee zonen moogt gij ter dood brengen indien ik hem niet bij u terugbreng.+ Geef hem onder mijn hoede, en ík zal hem u teruggeven.”+ 38  Hij zei echter: „Mijn zoon zal niet met ulieden afdalen, want zijn broer is dood en hij is alleen overgebleven.+ Indien hem een dodelijk ongeluk* overkomt op de weg die GIJ zoudt gaan, dan zoudt GIJ stellig mijn grijze haren met droefheid in Sjeo̱o̱l*+ doen neerdalen.”

Voetnoten

Lett.: „een genezing”, gebruikt als eufemisme voor „een dodelijk ongeluk”.
Of: „om de weerloosheid [lett.: de naaktheid] van het land te zien.”
Hebr.: ʼadho·nē, mv. ter aanduiding van uitnemendheid.
Zie vs. 4 vtn.
„In Sjeool.” Hebr.: sjeʼōʹlah; Gr.: eis haiʹdou; Syr.: la·sjioel; Lat.: ad inʹfe·ros. Zie App. 4B.