Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Genesis 29:1-35

29  Daarna zette Ja̱kob zijn voeten in beweging en reisde verder naar het land der oosterlingen.*+  Nu keek hij, en zie, daar was een put in het veld, en zie, drie kudden schapen* lagen daarbij, want uit die put was men gewoon de kudden+ te drenken; en er lag een grote steen op de opening van de put.+  Wanneer alle kudden daar bijeengedreven waren, rolde men de steen van de opening van de put af en drenkte de kleinveekudden, waarna men de steen weer op zijn plaats op de opening van de put bracht.  Ja̱kob dan zei tot hen: „Mijn broeders, van welke plaats zijt GIJ?”, waarop zij zeiden: „Wij zijn uit Ha̱ran.”+  Toen zei hij tot hen: „Kent GIJ La̱ban,+ de kleinzoon van Na̱hor?”,+ waarop zij zeiden: „Wij kennen hem.”  Hierop zei hij tot hen: „Gaat het goed met hem?”*+ Zij zeiden weer: „Het gaat goed.* En daar komt zijn dochter Ra̱chel+ aan met de schapen!”+  En hij zei verder: „Zie, het is nog volop dag.* Het is niet de tijd om de kudden bijeen te drijven. Drenkt de schapen en gaat ze dan weiden.”+  Hierop zeiden zij: „Wij mogen dat niet doen voordat alle kudden bijeengedreven zijn en men werkelijk de steen van de opening van de put afrolt. Dan moeten wij de schapen drenken.”  Terwijl hij nog met hen sprak, kwam Ra̱chel+ met de schapen die haar vader toebehoorden, want zij was een herderin.+ 10  Nu geschiedde het dat toen Ja̱kob Ra̱chel, de dochter van La̱ban, de broer van zijn moeder, en de schapen van La̱ban, de broer van zijn moeder, zag, Ja̱kob onmiddellijk toetrad en de steen van de opening van de put afrolde en de schapen van La̱ban, de broer van zijn moeder, drenkte.+ 11  Toen kuste+ Ja̱kob Ra̱chel en verhief zijn stem en barstte in tranen uit.+ 12  Daarop vertelde Ja̱kob aan Ra̱chel dat hij de broeder*+ van haar vader was en dat hij de zoon van Rebe̱kka was. En zij snelde weg en ging het aan haar vader vertellen.+ 13  Nu geschiedde het dat zodra La̱ban het bericht over Ja̱kob, de zoon van zijn zuster, hoorde, hij hem tegemoet snelde.+ Toen omhelsde hij hem en kuste hem en bracht hem in zijn huis.+ En hij ging La̱ban al deze dingen verhalen. 14  Daarna zei La̱ban tot hem: „Gij zijt inderdaad mijn been en mijn vlees.”+ Hij dan woonde een volle maand* bij hem. 15  Daarna zei La̱ban tot Ja̱kob: „Zijt gij mijn broeder,+ en moet gij mij om niet dienen?+ Zeg mij: Wat moet uw loon zijn?”+ 16  La̱ban nu had twee dochters. De naam van de oudste was Le̱a+ en de naam van de jongste Ra̱chel. 17  De ogen van Le̱a echter hadden geen glans,* terwijl Ra̱chel+ daarentegen schoon van gestalte en schoon van gelaat was geworden.+ 18  En Ja̱kob was verliefd op Ra̱chel. Daarom zei hij: „Ik ben bereid u zeven jaar te dienen voor Ra̱chel, uw jongste dochter.”+ 19  Hierop zei La̱ban: „Het is beter dat ik haar aan u geef dan dat ik haar aan een andere man geef.+ Blijf bij mij wonen.” 20  Vervolgens diende Ja̱kob zeven jaar om Ra̱chel,+ maar wegens zijn liefde voor haar bleken ze in zijn ogen als slechts enkele dagen te zijn.+ 21  Toen zei Ja̱kob tot La̱ban: „Geef [mij] mijn vrouw, want mijn dagen zijn verstreken,* en laat mij betrekkingen met haar hebben.”+ 22  Daarop vergaderde La̱ban alle mannen van de plaats en rechtte een feestmaal aan.+ 23  Maar het bleek dat hij er gedurende de avond toe overging zijn dochter Le̱a te nemen en haar tot hem te brengen, opdat hij betrekkingen met haar zou hebben. 24  Bovendien gaf La̱ban zijn dienstmaagd Zi̱lpa+ aan haar, ja, aan zijn dochter Le̱a, tot dienstmaagd. 25  Het gevolg was dus ’s morgens dat, zie, het was Le̱a! Dientengevolge zei hij tot La̱ban: „Wat hebt gij mij nu aangedaan? Heb ik niet om Ra̱chel bij u gediend? Waarom hebt gij mij dan bedrogen?”+ 26  Hierop zei La̱ban: „Het is in onze plaats niet gebruikelijk om zo te doen, om de jongste vrouw vóór de eerstgeborene te geven. 27  Vier+ de week van deze vrouw* helemaal uit.* Daarna zal u stellig ook deze andere vrouw* worden gegeven voor de dienst waarmee gij nog zeven jaar bij mij kunt dienen.”+ 28  Ja̱kob dan deed zo en vierde de week van deze vrouw helemaal uit, waarna hij hem zijn dochter Ra̱chel tot vrouw gaf. 29  Bovendien gaf La̱ban zijn dienstmaagd Bi̱lha+ aan zijn dochter Ra̱chel als haar dienstmaagd. 30  Toen had hij ook met Ra̱chel betrekkingen en bracht ook meer liefde tot uitdrukking voor Ra̱chel dan voor Le̱a,+ en hij ging nog eens zeven jaar bij hem dienen.+ 31  Toen Jehovah nu zag dat Le̱a gehaat werd, opende hij voorts haar schoot,+ maar Ra̱chel was onvruchtbaar.+ 32  En Le̱a werd zwanger en baarde een zoon en gaf hem toen de naam Ru̱ben,*+ want zij zei: „Het is omdat Jehovah mijn ellende heeft aangezien,+ want nu zal mijn man van mij gaan houden.” 33  En zij werd wederom zwanger en baarde een zoon en zei toen: „Het is omdat Jehovah heeft geluisterd,+ want ik werd gehaat en daarom heeft hij mij ook deze gegeven.” Derhalve gaf zij hem de naam Si̱meon.*+ 34  En zij werd nog eens zwanger en baarde een zoon en zei toen: „Ditmaal nu zal mijn man zich bij mij voegen, omdat ik hem drie zonen heb gebaard.” Daarom werd hem de naam Le̱vi*+ gegeven. 35  En zij werd nogmaals zwanger en baarde een zoon en zei toen: „Ditmaal zal ik Jehovah prijzen.” Zij gaf hem daarom de naam Ju̱da.*+ Daarna hield zij op met baren.

Voetnoten

Lett.: „naar het land van de zonen van het Oosten.”
Of: „kleinvee”, met inbegrip van geiten.
Lett.: „[Is er] vrede voor hem?” Hebr.: hasja·lōmʹ lō?
Lett.: „En zij zeiden: ’Vrede!’” Hebr.: wai·joʼ·meroeʹ sja·lōmʹ.
Of: „Zie, de dag is nog lang.”
„Broeder”, maar in feite de neef.
Lett.: „een maand van dagen.”
Of: „waren flets (mat, zwak).”
Of: „vervuld.”
D.w.z. Lea.
„Vier . . . helemaal uit.” Of: „Vervul.”
D.w.z. Rachel.
Bet.: „Ziet, een zoon!” Hebr.: Reʼoe·venʹ.
Bet.: „Verhoring.” Hebr.: Sjim·ʽōnʹ.
Bet.: „Aanhankelijkheid; Aangesloten (Gevoegd) bij.” Hebr.: Le·wiʹ.
Bet.: „Geprezen; [voorwerp van] Lofprijzing.” Hebr.: Jehoe·dhahʹ.