Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Genesis 16:1-16

16  Sa̱rai nu, A̱brams vrouw, had hem geen kinderen gebaard;+ maar zij had een Egyptische dienstmaagd, en haar naam was Ha̱gar.+  Daarom zei Sa̱rai tot A̱bram: „Zie toch! Jehovah heeft mij ervan uitgesloten kinderen te baren.+ Heb alstublieft betrekkingen met mijn dienstmaagd. Misschien dat ik van haar kinderen krijg.”+ A̱bram dan luisterde naar de stem van Sa̱rai.+  Toen nam Sa̱rai, A̱brams vrouw, Ha̱gar, haar Egyptische dienstmaagd, nadat A̱bram tien jaar in het land Ka̱naän had gewoond, en gaf haar aan haar man A̱bram tot vrouw.+  Bijgevolg had hij betrekkingen met Ha̱gar, en zij werd zwanger. Toen zij gewaar werd dat zij zwanger was, werd haar meesteres voortaan verachtelijk in haar ogen.+  Hierop zei Sa̱rai tot A̱bram: „Het mij aangedane geweld zij op u. Ikzelf heb mijn dienstmaagd aan uw boezem overgegeven, en zij werd gewaar dat zij zwanger was, en ik werd verachtelijk in haar ogen. Moge Jehovah oordelen tussen mij en u.”*+  Derhalve zei A̱bram tot Sa̱rai:+ „Zie! Uw dienstmaagd is tot uw beschikking. Doe met haar wat goed is in uw ogen.”+ Toen ging Sa̱rai haar vernederen,* zodat zij van haar wegliep.+  Later trof Jehovah’s engel*+ haar aan bij een waterbron in de wildernis, bij de bron aan de weg naar Sur.+  Nu zei hij: „Ha̱gar, dienstmaagd van Sa̱rai, waar zijt gij eigenlijk vandaan gekomen en waar gaat gij naar toe?” Hierop zei zij: „Wel, ik ben bezig weg te lopen van Sa̱rai, mijn meesteres.”  En Jehovah’s engel zei verder tot haar: „Keer terug naar uw meesteres en verneder u onder haar hand.”+ 10  Toen zei Jehovah’s engel tot haar: „Ik zal uw zaad zeer vermenigvuldigen,+ zodat het wegens het grote aantal niet geteld zal worden.”+ 11  Voorts zei Jehovah’s engel ook nog tot haar: „Zie, gij zijt zwanger, en gij zult stellig een zoon baren en moet hem de naam I̱smaël*+ geven; want Jehovah heeft omtrent uw ellende gehoord.+ 12  Wat hem aangaat, hij zal een zebra* van een mens worden. Zijn hand zal tegen iedereen zijn, en de hand van iedereen zal tegen hem zijn;+ en voor het aangezicht van al zijn broeders zal hij verblijf houden.”+ 13  Toen noemde zij de naam van Jehovah, die tot haar sprak: „Gij zijt een God* die ziet”,*+ want zij zei: „Heb ik hier werkelijk* hem aanschouwd* die mij ziet?” 14  Daarom werd de put Be̱ër-La̱chai-Ro̱ï*+ genoemd.* Zie, hij is tussen Ka̱des en Be̱red. 15  Naderhand baarde Ha̱gar A̱bram een zoon en A̱bram gaf zijn zoon, die Ha̱gar gebaard had, de naam I̱smaël.+ 16  En A̱bram was zesentachtig jaar oud toen Ha̱gar I̱smaël aan A̱bram baarde.

Voetnoten

„En u.” Lett.: „en tussen u.” Hebr.: oe·vē·neiʹkha. In M is de letter jōdh door de soferim van een bijzondere punt voorzien, misschien om de aandacht te vestigen op de spelling. Zie App. 2A.
Of: „kwellen.”
„Jehovah’s engel.” Hebr.: mal·ʼakhʹ Jehwahʹ; de eerste keer dat deze uitdr. voorkomt.
Bet.: „God hoort.”
Of: „wilde ezel.” Zie Job 39:5.
Hebr.: ʼEl.
Of: „een God die mij ziet”; of: „een God die zich laat zien (die verschijnt).”
Of: „ook.”
Lett.: „hem nagekeken.” Zie voor deze weergave JTS, Jg. 50, 1949, blz. 179.
Bet.: „Put van de Levende die mij ziet.”
„Daarom noemde zij de put”, Sy.