Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Galaten 5:1-26

5  Voor zulk een vrijheid* heeft Christus ons vrijgemaakt.+ Staat daarom vast+ en laat U niet opnieuw een slavenjuk opleggen.+  Ziet! Ik, Pa̱u̱lus, zeg U dat indien GIJ U laat besnijden,+ Christus van geen nut voor U zal zijn.  Bovendien leg ik nogmaals getuigenis af aan ieder mens die zich laat besnijden, dat hij verplicht is de gehele Wet na te komen.+  GIJ zijt gescheiden van Christus, wie GIJ ook zijt die tracht door middel van de wet rechtvaardig verklaard te worden;+ GIJ zijt van zijn onverdiende goedheid afgevallen.+  Wat ons betreft, wij verwachten vurig door geest de rechtvaardigheid ten gevolge van geloof, waarop wij hopen.*+  Want met betrekking tot Christus Jezus* heeft noch besnijdenis noch onbesnedenheid enige waarde,+ maar geloof+ dat werkzaam is door middel van liefde.+  GIJ liept goed.+ Wie heeft U verhinderd de waarheid te blijven gehoorzamen?+  Dit soort van overreding is niet afkomstig van Degene die U roept.+  Een weinig zuurdeeg doet de gehele massa gisten.+ 10  Ik heb aangaande U, die in eendracht+ met [de] Heer zijt, het vaste vertrouwen*+ dat GIJ niet anders zult gaan denken; maar degene die onrust onder U stookt,+ zal [zijn] oordeel dragen,+ ongeacht wie hij is. 11  Wat mij betreft, broeders, indien ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik dan nog vervolgd? Dan is inderdaad het struikelblok*+ van de martelpaal*+ tenietgedaan.+ 12  Ik wenste dat de mannen die U trachten omver te werpen,+ zich ook maar lieten ontmannen.*+ 13  GIJ werdt natuurlijk tot vrijheid geroepen,+ broeders; gebruikt deze vrijheid alleen niet als een aanleiding voor het vlees,+ maar dient elkaar als slaven door middel van de liefde.+ 14  Want de gehele Wet wordt in één gezegde vervuld,+ namelijk: „Gij moet* uw naaste liefhebben als uzelf.”+ 15  Maar als GIJ elkaar blijft bijten en verslinden,+ past er dan voor op dat GIJ niet door elkaar wordt verdelgd.+ 16  Maar ik zeg: Blijft door geest wandelen+ en GIJ zult in het geheel geen vleselijke begeerte volvoeren.+ 17  Want het vlees gaat, wat zijn begeerte betreft, in tegen de geest,+ en de geest tegen het vlees; want deze staan vijandig tegenover elkaar, zodat GIJ juist de dingen die GIJ zoudt willen doen, niet doet.+ 18  Indien GIJ bovendien door geest wordt geleid,+ zijt GIJ niet onder de wet.+ 19  De werken van het vlees nu zijn openbaar,+ en die zijn: hoererij,*+ onreinheid,* een losbandig gedrag,*+ 20  afgoderij, beoefening van spiritisme,*+ vijandschappen, twist, jaloezie, vlagen van toorn, ruzies, verdeeldheid, sekten,* 21  uitingen van afgunst, drinkgelagen,+ brasserijen en dergelijke. Aangaande deze dingen waarschuw ik U van tevoren, zoals ik U reeds van tevoren gewaarschuwd heb, dat wie zulke dingen beoefenen,+ Gods koninkrijk niet zullen beërven.+ 22  De vrucht+ van de geest daarentegen is liefde, vreugde, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid,+ geloof, 23  zachtaardigheid, zelfbeheersing.+ Tegen zulke dingen is geen wet.+ 24  Bovendien hebben zij die Christus Jezus toebehoren, het vlees met zijn hartstochten en begeerten aan de paal* gehangen.+ 25  Indien wij door geest leven, laten wij dan ook door geest ordelijk blijven wandelen.+ 26  Laten wij niet egotistisch worden, doordat wij onderlinge wedijver+ aanwakkeren* en elkaar benijden.+

Voetnoten

Of: „Met haar vrijheid.” Gr.: Tei e·leu·theʹri·ai.
„Rechtvaardigheid . . . waarop wij hopen.” Lett.: „hoop van (op) rechtvaardigheid . . . .”
„Jezus.” B laat het weg.
„Ik heb aangaande u het vaste vertrouwen in Jehovah”, J7,8.
Of: „de ergernis (het aanstotelijke).” Lett.: „de aanleiding tot vallen.” Gr.: to skanʹda·lon; Lat.: scanʹda·lum.
Zie App. 5C.
„Zich ook maar lieten ontmannen”, P46אABD; J7,8: „ook maar van voor Jehovah’s ogen afgesneden werden.”
Of: „zult.”
Zie App. 5A.
Of: „vuilheid; verdorvenheid; ontucht.” Gr.: a·ka·tharʹsi·a; J17,22(Hebr.): toem·ʼahʹ. Zie Ez 22:15 vtn., „Onreinheid”.
Of: „losbandigheid; zinnelijkheid; schaamteloos gedrag.” Gr.: a·sel·geiʹa; Vgc(Lat.): im·pu·di·ciʹti·a; J18,22(Hebr.): zim·mahʹ. Zie Sp 10:23 vtn., „Gedrag”.
Of: „gebruik van drogerijen (drugs).” Gr.: far·maʹki·a. Zie Opb 21:8 vtn., „Beoefenen”.
„Sekten.” Gr.: haiʹre·seis; Lat.: secʹtae.
Zie App. 5C.
Of: „elkaar tot een krachtmeting dwingen.”