Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Filippenzen 1:1-30

1  Pa̱u̱lus en Timo̱theüs, slaven+ van Christus Jezus, aan alle heiligen in eendracht met Christus Jezus die in Fili̱ppi+ zijn, met de opzieners* en dienaren in de bediening:*+  Mogen onverdiende goedheid en vrede U ten deel vallen van God, onze Vader, en [de] Heer Jezus Christus.+  Telkens wanneer ik aan U denk, dank ik mijn God altijd+  in al mijn smekingen voor U allen,+ terwijl ik mijn smeking met vreugde opzend,  wegens de bijdrage+ die GIJ van de eerste dag af tot dit ogenblik toe aan het goede nieuws hebt geschonken.  Want dit vaste vertrouwen heb ik, dat hij die een goed werk in U is begonnen, het tot voltooiing zal brengen+ tot op de dag+ van Jezus Christus.  Het is volkomen juist dat ik dit met betrekking tot U allen denk, want ik draag U in mijn hart,+ daar GIJ allen met mij deelhebbers+ zijt aan de onverdiende goedheid, zowel in mijn [gevangenis]boeien+ als in het verdedigen+ en wettelijk+ bevestigen van het goede nieuws.  Want God is mijn getuige hoezeer ik naar U allen verlang met zulk een tedere genegenheid+ als Christus Jezus heeft.  En dit blijf ik bidden, dat UW liefde steeds overvloediger mag zijn+ met nauwkeurige kennis*+ en volledig onderscheidingsvermogen,*+ 10  opdat GIJ U van de belangrijker dingen moogt vergewissen,+ zodat GIJ tot op de dag van Christus onberispelijk+ moogt zijn en anderen niet tot struikelen+ brengt, 11  en vervuld moogt zijn met de vrucht der rechtvaardigheid,+ die door bemiddeling van Jezus Christus is, tot heerlijkheid en lof van God.+ 12  Nu wil ik dat GIJ weet, broeders, dat mijn aangelegenheden veeleer tot de vooruitgang van het goede nieuws hebben bijgedragen,+ 13  zodat onder de gehele pretoriaanse lijfwacht* en alle overigen+ algemeen bekend is geworden+ dat mijn boeien+ in verband met Christus zijn; 14  en de meeste broeders in [de] Heer tonen, doordat zij wegens mijn [gevangenis]boeien vertrouwen hebben gekregen, des te meer moed om het woord van God onbevreesd te spreken.+ 15  Sommigen prediken de Christus weliswaar door afgunst en wedijver,+ maar anderen ook door welwillendheid.+ 16  De laatsten verkondigen de Christus uit liefde, want zij weten dat ik hier ben gesteld voor de verdediging+ van het goede nieuws; 17  maar de eersten doen het uit twistgierigheid,+ niet met een zuivere beweegreden, want zij menen verdrukking+ [voor mij] teweeg te brengen in mijn [gevangenis]boeien. 18  Wat dan nog? [Niets,] behalve dat op elke wijze, hetzij in schijn+ hetzij in waarheid, Christus wordt verkondigd,+ en hierover verheug ik mij. Ja, ik zal mij ook blijven verheugen, 19  want ik weet dat dit zal uitlopen op mijn redding,* door middel van UW smeking+ en een toevoer van de geest van Jezus Christus,+ 20  in overeenstemming met mijn vurige verwachting+ en hoop+ dat ik in geen enkel opzicht beschaamd+ zal worden, maar dat in alle vrijmoedigheid van spreken+ Christus, zoals altijd voordien, ook nu door middel van mijn lichaam grootgemaakt zal worden,+ hetzij door leven hetzij door dood.+ 21  Want te leven is in mijn geval Christus+ en te sterven+ winst. 22  Zou het nu verder leven in het vlees zijn, dan is dit een vrucht van mijn werk+ — en toch maak ik niet bekend* wat ik moet kiezen. 23  Ik sta onder druk van deze twee dingen;+ wat ik echter werkelijk verlang, is de losmaking* en met Christus te zijn,+ want dit is ongetwijfeld veel beter.+ 24  Maar ter wille van U is het noodzakelijker dat ik in het vlees blijf.+ 25  Omdat ik dit vaste vertrouwen heb, weet ik ook dat ik zal blijven+ en bij U allen zal vertoeven tot UW vooruitgang+ en de vreugde die tot [UW] geloof behoort, 26  zodat wegens mij, doordat ik weer bij U tegenwoordig ben,* UW juichen overvloedig moge zijn in Christus Jezus. 27  Alleen, gedraagt U* op een wijze die het goede nieuws over de Christus waardig is,+ opdat ik, hetzij ik kom en U zie, hetzij ik afwezig ben, over de dingen aangaande U mag horen dat GIJ vaststaat in één geest, één van ziel*+ zijde aan zijde strijdend voor het geloof van het goede nieuws, 28  zonder U in enig opzicht te laten verschrikken door UW tegenstanders.+ Voor hen is dit juist een bewijs van vernietiging, maar voor U van redding;+ en dit is [een aanwijzing] van Godswege, 29  want aan U werd ten behoeve van Christus het voorrecht gegeven niet alleen UW geloof+ in hem te stellen, maar ook ten behoeve van hem te lijden.+ 30  Want GIJ hebt dezelfde strijd als GIJ in mijn geval hebt gezien+ en waarvan GIJ nu in mijn geval hoort.+

Voetnoten

„Opzieners.” Gr.: e·piʹsko·pois, datief, mv.; J17(Hebr.): hap·peqi·dhimʹ, „de opzieners”.
Of: „diakenen.” Gr.: di·aʹko·nois, datief, mv.; Lat.: di·aʹco·nis.
Lett.: „in nauwkeurige kennis.” Gr.: en e·pi·gnoʹsei; Lat.: in sci·enʹti·a.
Lett.: „[volledige] zintuiglijke waarneming.” Gr.: ai·stheʹsei; Lat.: senʹsu.
„Onder de . . . pretoriaanse lijfwacht”, de lijfwacht van de Romeinse keizer. Lett.: „in het . . . pretorium.”
Of: „vrijlating.”
Of: „weet ik niet.”
Zie voor een bespreking van de uitdr. „de losmaking”, App. 5D.
Zie App. 5B.
Of: „gaat voort u te gedragen als burgers.”
Of: „als één man.”