Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Ezra 5:1-17

5  En de profeet Ha̱ggaï+ en de profeet Zachari̱a,+ de kleinzoon van I̱ddo,+ profeteerden tot de joden die in Ju̱da en in Jeru̱zalem waren, in de naam+ van de God van I̱sraël, [die] over hen [was].+  Het was toen dat Zerubba̱bel,+ de zoon van Sea̱lthiël,*+ en Je̱sua,+ de zoon van Jo̱zadak, opstonden en het huis van God, dat in Jeru̱zalem was, begonnen te herbouwen; en met hen waren Gods profeten,+ die hen bijstonden.  In die tijd kwamen Tha̱thnai,+ de stadhouder aan de overkant van de Rivier,+ en Se̱thar-Bo̱znai, en hun ambtgenoten naar hen toe, en dit is het wat zij tot hen zeiden: „Wie heeft U bevel gegeven om dit huis te bouwen en deze balkenconstructie* te voltooien?”+  Toen zeiden zij* het volgende tot hen: „Wat zijn de namen van de fysiek sterke mannen die dit gebouw bouwen?”  En het oog+ van hun God bleek op+ de oudere mannen* van de joden te zijn, en men deed hen [het werk] niet staken totdat het bericht naar Dari̱us kon gaan en er vervolgens een officieel document hieromtrent teruggezonden kon worden.  [Dit] is een afschrift+ van de brief die Tha̱thnai,+ de stadhouder aan de overkant van de Rivier,+ en Se̱thar-Bo̱znai+ en zijn ambtgenoten,+ de onderstadhouders die aan de overkant van de Rivier* waren, aan Dari̱us, de koning, zonden;  zij zonden hem het bericht, en daarin was aldus geschreven: „Aan Dari̱us, de koning: Alle vrede!+  Het worde de koning bekend dat wij naar het rechtsgebied+ Ju̱da zijn gegaan, naar het huis van de grote God,+ en het wordt gebouwd met stenen die [op hun plaats] worden gerold,* en er worden balken in de muren gelegd; en dat werk wordt ijverig gedaan en vordert onder hun handen.  Toen hebben wij bij die oudere mannen navraag gedaan. Dit hebben wij tot hen gezegd: ’Wie heeft U bevel gegeven om dit huis te bouwen en deze balkenconstructie te voltooien?’+ 10  En wij hebben hun ook naar hun namen gevraagd, om ze u te laten weten, opdat wij de namen zouden kunnen schrijven van de fysiek sterke mannen die aan het hoofd van hen staan.+ 11  En dit is het wat zij ons ten antwoord gaven, in deze bewoordingen: ’Wij zijn de dienstknechten van de God des hemels en der aarde,+ en wij herbouwen het huis dat vele jaren hiervóór gebouwd was, hetwelk een groot koning van I̱sraël heeft gebouwd en voltooid.+ 12  Maar omdat onze vaderen de God des hemels geïrriteerd hadden,+ gaf hij hen over+ in de hand van Nebukadne̱zar,+ de koning van Ba̱bylon, de Chaldeeër,+ en hij heeft dit huis verwoest+ en het volk in ballingschap naar Ba̱bylon gevoerd.+ 13  In het eerste jaar nochtans van Cy̱rus,+ de koning van Ba̱bylon,* vaardigde Cy̱rus, de koning, een bevel uit om dit huis van God te herbouwen.+ 14  En ook de gouden en zilveren vaten+ van het huis van God die Nebukadne̱zar uit de tempel, die in Jeru̱zalem was, weggehaald en naar de tempel van Ba̱bylon* gebracht had:+ deze heeft Cy̱rus, de koning,+ uit de tempel van Ba̱bylon gehaald, en ze werden gegeven aan Se̱sbazzar,*+ de naam van degene die hij tot stadhouder+ aanstelde. 15  En hij zei tot hem: „Neem deze vaten.+ Ga heen, zet ze neer in de tempel die in Jeru̱zalem is, en laat het huis van God op zijn plaats herbouwd worden.”+ 16  Toen die Se̱sbazzar kwam, legde hij de fundamenten van het huis van God,+ dat in Jeru̱zalem is; en van toen af tot nu wordt het herbouwd, maar het is nog niet voltooid.’+ 17  Nu dan, indien het de koning goeddunkt, laat er dan een onderzoek worden ingesteld+ in het schathuis van de koning dat daar in Ba̱bylon is, of het zo is dat er vanwege Cy̱rus, de koning, een bevel+ werd uitgevaardigd om dat huis van God in Jeru̱zalem te herbouwen; en de beslissing van de koning hieromtrent doe hij ons toekomen.”

Voetnoten

„De zoon van Sealthiël.” Aram.: bar-Sjeʼal·ti·ʼelʹ. Vgl. Mt 16:17 vtn.
„Deze inrichting (uitrusting)”, LXX; Vg: „deze muren.”
„Zij”, LXXSy; MVg: „wij.” Zie vs. 10.
Of: „oudsten.”
D.w.z. de Eufraat.
D.w.z. stenen die te zwaar zijn om gedragen te worden.
„Babylon”, Vg; M: „Babel”; Sy: „Perzië.”
„Naar de tempel van Babylon.” Aram.: lehē·khelaʼʹ di Va·velʹ; LXX: „naar de tempel van de koning.”
„Zerubbabel” in 2:2; 3:8.