Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Exodus 29:1-46

29  Dit nu is de zaak die gij ten opzichte van hen dient te doen om hen te heiligen, opdat zij mij als priesters dienen: Neem een jonge stier* en twee rammen,+ gave [dieren],+  en ongezuurd brood en ongezuurde ringvormige koeken, met olie bevochtigd, en ongezuurde wafels, met olie bestreken.+ Van tarwebloem zult gij ze maken.  En gij moet ze op een mand leggen en ze in de mand aanbieden,+ en ook de stier en de twee rammen.  En gij zult Aä̱ron en zijn zonen doen toetreden tot de ingang+ van de tent der samenkomst, en gij moet hen met water wassen.+  Dan moet gij de klederen nemen+ en Aä̱ron bekleden met het lange gewaad en de schoudermantel van de efod en met de efod en het borststuk, en gij moet het hem met de gordel van de efod stevig ombinden.+  En gij moet de tulband op zijn hoofd zetten en het heilige teken van opdracht* aan de tulband bevestigen.+  En gij moet de zalfolie+ nemen en die op zijn hoofd gieten en hem zalven.+  Vervolgens zult gij zijn zonen doen toetreden en gij moet hen met de lange gewaden bekleden.+  En gij moet hen omgorden met de sjerpen, zowel Aä̱ron als zijn zonen, en gij moet hun het hoofddeksel om [het hoofd] winden; en het priesterschap moet hun toebehoren als een inzetting tot onbepaalde tijd.*+ Zo moet gij de hand van Aä̱ron en de hand van zijn zonen met macht vullen.+ 10  Nu moet gij de stier naderbij brengen vóór de tent der samenkomst, en Aä̱ron en zijn zonen moeten hun handen op de kop van de stier leggen.+ 11  En gij moet de stier voor het aangezicht van Jehovah, bij de ingang van de tent der samenkomst, slachten.+ 12  En gij moet wat van het bloed van de stier nemen+ en dat met uw vinger op de hoornen van het altaar doen,+ en al het overige bloed zult gij aan de voet van het altaar uitstorten.+ 13  En gij moet al het vet nemen+ dat de ingewanden bedekt,+ en het aanhangsel aan de lever+ en de beide nieren en het vet dat daarop zit, en gij moet dat op het altaar in rook doen opgaan.+ 14  Maar het vlees van de stier en zijn huid en zijn drek zult gij buiten de legerplaats met vuur verbranden.+ Het is een zondeoffer. 15  Dan zult gij de ene ram nemen,+ en Aä̱ron en zijn zonen moeten hun handen op de kop van de ram leggen.+ 16  En gij moet de ram slachten en zijn bloed nemen en dit rondom op het altaar sprenkelen.+ 17  En gij zult de ram in zijn stukken versnijden, en gij moet zijn ingewanden en zijn schenkels wassen+ en zijn stukken tegen elkaar aan leggen en zo tot aan zijn kop. 18  En gij moet de gehele ram op het altaar in rook doen opgaan. Het is een brandoffer+ voor Jehovah, een rustig stemmende geur.+ Het is een vuuroffer* voor Jehovah. 19  Vervolgens moet gij de andere ram nemen, en Aä̱ron en zijn zonen moeten hun handen op de kop van de ram leggen.+ 20  En gij moet de ram slachten en wat van zijn bloed nemen en dat doen op de rechteroorlel van Aä̱ron en op de rechteroorlel van zijn zonen en op de duim van hun rechterhand en de grote teen van hun rechtervoet,+ en gij moet het bloed rondom op het altaar sprenkelen. 21  En gij moet wat van het bloed nemen dat op het altaar is en wat van de zalfolie,+ en gij moet dat spatten op Aä̱ron en zijn klederen en op zijn zonen en de klederen van zijn zonen met hem, opdat hij en zijn klederen en zijn zonen en de klederen van zijn zonen met hem inderdaad heilig mogen zijn.+ 22  En gij moet van de ram het vet nemen en de vetstaart+ en het vet dat de ingewanden bedekt, en het aanhangsel van de lever en de beide nieren en het vet dat daarop zit, en de rechterpoot,+ want het is een ram der installatie;*+ 23  ook een rond brood en een ringvormige geoliede broodkoek en een wafel uit de mand met ongezuurde broden die voor het aangezicht van Jehovah is.+ 24  En gij moet dit alles op de handpalmen van Aä̱ron en op de handpalmen van zijn zonen leggen,+ en gij moet het heen en weer bewegen als een beweegoffer voor het aangezicht van Jehovah.+ 25  En gij moet het uit hun handen nemen en het op het altaar op het brandoffer in rook doen opgaan tot een rustig stemmende geur voor het aangezicht van Jehovah.+ Het is een vuuroffer voor Jehovah.+ 26  En gij moet de borst nemen van de ram der installatie,+ die voor Aä̱ron is, en die heen en weer bewegen als een beweegoffer voor het aangezicht van Jehovah, en ze moet uw deel worden. 27  En gij moet de borst+ van het beweegoffer en de poot van het heilige deel,* die bewogen werd en die bijgedragen werd van de ram der installatie,+ van wat voor Aä̱ron en van wat voor zijn zonen was, heiligen. 28  En het moet van Aä̱ron en van zijn zonen worden krachtens een tot onbepaalde tijd durend voorschrift, te onderhouden door de zonen van I̱sraël, omdat het een heilig deel is;+ en het zal een heilig deel worden, door de zonen van I̱sraël af te staan. Van hun gemeenschapsoffers*+ is het hun heilige deel voor Jehovah. 29  En de heilige klederen+ die van Aä̱ron zijn, zullen dienen voor zijn zonen+ na hem, om hen daarin te zalven+ en om daarin hun hand met macht te vullen.+ 30  Zeven dagen+ zal degene uit zijn zonen die hem als priester opvolgt en die de tent der samenkomst binnentreedt om in de heilige plaats dienst te verrichten, ze dragen. 31  En gij zult de ram der installatie nemen, en gij moet zijn vlees op een heilige plaats koken.+ 32  En Aä̱ron en zijn zonen moeten het vlees van de ram en het brood dat in de mand is, eten+ bij de ingang van de tent der samenkomst. 33  En zij moeten de dingen eten waarmee verzoening* gedaan is om hun hand met macht te vullen, ten einde hen te heiligen.+ Maar een vreemde* mag er niet van eten, omdat ze iets heiligs zijn.+ 34  En zo er iets van het vlees van het installatieoffer en van het brood tot de morgen zou overblijven, dan moet gij het overgeblevene met vuur verbranden.+ Het mag niet gegeten worden, want het is iets heiligs. 35  En gij moet aldus ten opzichte van Aä̱ron en zijn zonen doen, overeenkomstig alles wat ik u geboden heb.+ Gij zult zeven dagen nemen om hun hand met macht te vullen.+ 36  En dagelijks zult gij de stier van het zondeoffer ter verzoening offeren,+ en gij moet het altaar ontzondigen doordat gij er verzoening over doet, en gij moet het zalven+ om het te heiligen. 37  Gij zult zeven dagen nemen om verzoening over het altaar te doen, en gij moet het heiligen+ opdat het inderdaad een allerheiligst altaar mag worden.+ Een ieder die* het altaar aanraakt, zal heilig zijn.+ 38  En dit is het wat gij op het altaar zult offeren: jonge rammen, elk een jaar oud, gedurig twee per dag.+ 39  En gij zult de ene jonge ram* ’s morgens offeren,+ en gij zult de andere jonge ram tussen de twee avonden* offeren.+ 40  En een tiende deel van een efa-maat* meelbloem,+ bevochtigd met een vierde hin* gestoten olie, en een drankoffer+ van een vierde hin wijn zullen er nog bij komen voor de eerste jonge ram. 41  En gij zult de tweede jonge ram tussen de twee avonden offeren. Met een zelfde graanoffer+ als ’s morgens en met zo’n zelfde drankoffer zult gij hem opdragen als een rustig stemmende geur, een vuuroffer voor Jehovah. 42  Het is een bestendig+ brandoffer in al UW geslachten bij de ingang van de tent der samenkomst voor het aangezicht van Jehovah, waar ik mij aan ulieden zal vertonen om daar tot u te spreken.+ 43  En ik zal mij daar stellig aan de zonen van I̱sraël vertonen, en ze* zal stellig door mijn heerlijkheid geheiligd worden.*+ 44  En ik wil de tent der samenkomst en het altaar heiligen; en ik zal Aä̱ron en zijn zonen heiligen+ om mij als priesters te dienen. 45  En ik wil in het midden van de zonen van I̱sraël verblijven, en ik wil bewijzen hun God te zijn.+ 46  En zij zullen stellig weten dat ik Jehovah, hun God, ben, die hen uit het land Egy̱pte heb geleid om in hun midden te verblijven.+ Ik ben Jehovah, hun God.+

Voetnoten

Lett.: „één stier, een zoon van het rundvee.”
Of: „de heilige diadeem; de diadeem der heiligheid.” Zie 39:30 vtn., „Opdracht”.
„En zij zullen voor mij voor eeuwig een priesterambt hebben”, LXX. Vgl. Heb 7:28.
„Een vuuroffer.” De gebruikelijke weergave, afgeleid van ʼesj, „vuur”. Anderen leiden het woord af van ʼnsj en nemen aan dat het betekent „het middel om vriendschappelijke betrekkingen met God aan te gaan”.
Lett.: „vulling”, d.w.z. vulling van de hand met macht, een machtiging.
Of: „het hefoffer; de bijdrage.”
Of: „Van de slachtoffers van hun vredeoffers.”
Lett.: „een bedekking.”
Of: „niet-Aäroniet”, d.w.z. een man die niet tot het geslacht van Aäron behoort.
Of: „Al wat.”
Of: „één mannetjeslam.”
Zie 12:6 vtn.
„En een tiende deel van een efa-maat”, volgens Nu 15:4 in LXXVg. Lett.: „En een tiende deel.” Zie App. 8A.
Een hin was gelijk aan 3,67 l.
„Ze”, M; Vg: „het altaar.”
„En ze zal stellig . . . geheiligd worden (als heilig worden beschouwd; als heilig worden behandeld).” Hebr.: weniq·dasjʹ; Lat.: sanc·ti·fi·caʹbi·tur; Gr.: ha·gi·a·stheʹso·mai, „Ik zal stellig geheiligd worden”. Zie Mt 6:9 vtn.