Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Exodus 14:1-31

14  Jehovah* sprak nu tot Mo̱zes en zei:  „Spreek tot de zonen van I̱sraël, dat zij dienen om te keren en zich dienen te legeren vóór Pi-Ha̱chiroth, tussen Mi̱gdol en de zee, in het gezicht van Ba̱äl-Se̱fon.+ Daartegenover dient GIJ U te legeren bij de zee.  Dan zal Farao stellig aangaande de zonen van I̱sraël zeggen: ’Zij dolen in verwarring rond in het land. De wildernis heeft hen ingesloten.’+  Ik dan zal Farao’s hart inderdaad verstokt laten worden,+ en hij zal hen stellig najagen en ik zal door bemiddeling van Farao en al zijn strijdkrachten heerlijkheid voor mijzelf verkrijgen;+ en de Egyptenaren zullen stellig weten dat ik Jehovah ben.”+ Bijgevolg deden zij precies zo.  Later werd aan de koning van Egy̱pte bericht dat het volk was weggelopen. Onmiddellijk veranderde het hart van zowel Farao als zijn dienaren ten aanzien van het volk,+ zodat zij zeiden: „Wat hebben wij nu gedaan, dat wij I̱sraël hebben heengezonden, zodat zij niet langer slavendienst voor ons verrichten?”+  Hij ging er daarom toe over zijn strijdwagens in gereedheid te brengen, en hij nam zijn volk met zich mee.+  Voorts nam hij zeshonderd uitgelezen wagens+ en alle andere wagens van Egy̱pte en krijgslieden* op elk daarvan.  Zo liet Jehovah* het hart van Farao, de koning van Egy̱pte, verstokt worden,+ waarop deze de zonen van I̱sraël najoeg, terwijl de zonen van I̱sraël met opgeheven hand uittrokken.+  De Egyptenaren dan joegen hen na, en al de wagenpaarden van Farao en zijn ruiters+ en zijn strijdkrachten haalden hen in terwijl zij gelegerd waren bij de zee, bij Pi-Ha̱chiroth, in het gezicht van Ba̱äl-Se̱fon.+ 10  Toen nu Farao dicht genaderd was, sloegen de zonen van I̱sraël hun ogen op en zie, de Egyptenaren rukten achter hen aan; en de zonen van I̱sraël werden zeer bevreesd en gingen luid tot Jehovah roepen.+ 11  Voorts zeiden zij tot Mo̱zes: „Is het omdat er in Egy̱pte helemaal geen grafsteden zijn, dat gij ons hierheen hebt gebracht om in de wildernis te sterven?+ Wat hebt gij ons nu aangedaan door ons uit Egy̱pte te leiden? 12  Is dit niet het woord dat wij in Egy̱pte tot u hebben gesproken, toen wij zeiden: ’Laat ons met rust, opdat wij de Egyptenaren dienen’? Want wij kunnen beter de Egyptenaren dienen dan in de wildernis sterven.”+ 13  Toen zei Mo̱zes tot het volk: „Weest niet bevreesd.+ Staat vast en ziet de redding van Jehovah, die hij vandaag voor U zal bewerken.+ Want de Egyptenaren die GIJ vandaag inderdaad nog ziet, zult GIJ niet meer zien, neen, nooit meer.+ 14  Jehovah zal zelf voor U strijden,+ en GIJ, GIJ zult stil zijn.” 15  Jehovah zei nu tot Mo̱zes: „Waarom blijft gij luid tot mij roepen?+ Spreek tot de zonen van I̱sraël dat zij dienen op te breken. 16  En gij, hef uw staf+ op en strek uw hand uit over de zee en splijt haar in tweeën,+ opdat de zonen van I̱sraël midden door de zee over droog land kunnen gaan.+ 17  Wat mij betreft, zie, ik laat het hart van de Egyptenaren verstokt worden,+ opdat zij er achter hen aan intrekken en opdat ik door bemiddeling van Farao en al zijn strijdkrachten, door zijn strijdwagens en zijn ruiters, heerlijkheid voor mijzelf verkrijg.+ 18  En de Egyptenaren zullen stellig weten dat ik Jehovah ben wanneer ik door Farao, zijn strijdwagens en zijn ruiters heerlijkheid voor mijzelf verkrijg.”+ 19  Toen vertrok de engel+ van de [ware] God die voor het kamp van I̱sraël uit trok en ging naar hun achterhoede, en de wolkkolom vertrok van hun voorhoede en ging achter hen staan.+ 20  Zo kwam ze tussen het kamp van de Egyptenaren en het kamp van I̱sraël in.+ Aan de ene kant bleek ze een met duisternis gepaard gaande wolk te zijn. Aan de andere kant bleef ze de nacht verlichten.+ En gedurende de gehele nacht naderde de ene groep de andere groep niet. 21  Nu strekte Mo̱zes zijn hand uit over de zee,+ waarop Jehovah de zee door een sterke oostenwind, die de hele nacht waaide, deed teruggaan en het zeebekken in droge grond veranderde,+ en de wateren werden in tweeën gespleten.+ 22  Ten slotte trokken de zonen van I̱sraël midden door de zee over droog land,+ terwijl de wateren aan hun rechter- en aan hun linkerzijde voor hen als een muur waren.+ 23  Toen zetten de Egyptenaren de achtervolging in en trokken alle paarden van Farao, zijn strijdwagens en zijn ruiters erin, achter hen aan,+ midden in de zee. 24  Nu gebeurde het in de morgenwake,* dat Jehovah vanuit de vuurzuil en de wolkkolom+ ging uitkijken op het kamp van de Egyptenaren, en vervolgens bracht hij het kamp van de Egyptenaren in verwarring.+ 25  En hij bleef wielen van hun wagens afnemen, zodat zij ze met moeite konden besturen;+ en de Egyptenaren zeiden toen: „Laten wij elk contact met I̱sraël ontvluchten, want Jehovah strijdt stellig voor hen tegen de Egyptenaren.”+ 26  Ten slotte zei Jehovah tot Mo̱zes: „Strek uw hand uit over de zee,+ opdat de wateren terugkeren over de Egyptenaren, hun strijdwagens en hun ruiters.” 27  Terstond strekte Mo̱zes zijn hand uit over de zee en tegen het aanbreken van de morgen keerde de zee geleidelijk tot haar normale stand terug. Al die tijd vluchtten de Egyptenaren om haar te ontwijken, maar Jehovah schudde de Egyptenaren af in het midden van de zee.+ 28  En de wateren bleven terugkeren.+ Ten slotte bedekten ze de strijdwagens en de ruiters die tot al Farao’s strijdkrachten behoorden en die achter hen aan de zee waren ingetrokken.+ Niet één onder hen was er overgebleven.+ 29  Wat de zonen van I̱sraël betreft, zij liepen over droog land in het midden van de zeebedding,+ en de wateren waren hun tot een muur, aan hun rechter- en aan hun linkerzijde.+ 30  Zo redde Jehovah I̱sraël op die dag uit de hand der Egyptenaren,+ en I̱sraël kreeg de Egyptenaren te zien — dood op de zeeoever.+ 31  I̱sraël kreeg eveneens de grote hand te zien die Jehovah tegen de Egyptenaren had aangewend; en het volk kreeg vrees voor Jehovah en stelde geloof in Jehovah en in Mo̱zes, zijn knecht.+

Voetnoten

Hebr.: Jeho·wahʹ. Zie App. 1A.
„En krijgslieden.” Lett.: „en derde mannen.” Hebr.: wesja·li·sjimʹ; Gr.: triʹsta·tas. Hoewel dit op Egyptische monumenten gewoonlijk niet te zien is, reden er drie mannen op een strijdwagen, van wie er één de paarden mende terwijl de andere twee vanaf de wagen streden; ook op Assyrische bas-reliëfs ziet men een derde man als wapen- of parasoldrager.
Hebr.: Jeho·wahʹ. Zie App. 1A.
De derde en laatste nachtwake bij de Hebreeën, van omstreeks 2 tot 6 uur ’s ochtends.