Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Exodus 1:1-22

1  Dit nu zijn de namen* van I̱sraëls zonen die met Ja̱kob naar Egy̱pte kwamen; zij kwamen er ieder met zijn huisgezin:+  Ru̱ben,+ Si̱meon,+ Le̱vi+ en Ju̱da,+  I̱ssaschar,+ Ze̱bulon+ en Be̱njamin,+  Dan+ en Na̱ftali,+ Gad+ en A̱ser.+  Alle zielen dan die uit Ja̱kobs opperdij zijn voortgekomen,+ bedroegen zeventig zielen,* maar Jo̱zef was reeds in Egy̱pte.+  Ten slotte stierf Jo̱zef,+ en ook al zijn broers en dat gehele geslacht.  En de zonen van I̱sraël werden vruchtbaar en het ging van hen wemelen; en zij bleven zich vermenigvuldigen en in zeer buitengewone mate machtiger worden, zodat het land vol van hen werd.+  Na verloop van tijd stond er een nieuwe koning op over Egy̱pte, die van Jo̱zef niet [meer] af wist.+  Hij dan zei tot zijn volk: „Ziet! Het volk van de zonen van I̱sraël is talrijker en machtiger dan wij.+ 10  Komaan! Laten wij schrander met hen* handelen,+ opdat zij zich niet vermenigvuldigen en het erop moet uitlopen dat, ingeval ons* oorlog treft, zij dan stellig ook toegevoegd zullen worden aan degenen die ons haten en tegen ons zullen strijden en uit het land zullen optrekken.” 11  Men zette daarom oversten van dwangarbeid over hen om hen bij het dragen van hun lasten te onderdrukken;+ en zij gingen voor Farao steden bouwen als opslagplaatsen, namelijk Pi̱thom en Raä̱mses.+ 12  Maar hoe meer men hen onderdrukte, des te meer vermenigvuldigden zij zich en des te meer breidden zij zich uit, zodat men een ziekmakende angst gevoelde ten gevolge van de zonen van I̱sraël.+ 13  Dientengevolge dwongen de Egyptenaren de zonen van I̱sraël onder tirannie slavendienst te verrichten.+ 14  En zij bleven hun het leven bitter maken met harde slavenarbeid in leemmortel+ en bakstenen* en met elke vorm van slavenarbeid op het veld,+ ja, elke vorm van slavenarbeid van hen waarvoor zij hen onder tirannie als slaven gebruikten.+ 15  Later zei de koning van Egy̱pte tot de Hebreeuwse vroedvrouwen+ — de naam van de ene was Si̱fra en de naam van de andere Pu̱a — 16  ja, hij ging zo ver dat hij zei: „Wanneer GIJ de Hebreeuwse vrouwen bij het baren helpt en hen werkelijk op de kraamstoel ziet: indien het een zoon is, dan moet GIJ hem ter dood brengen; maar indien het een dochter is, dan moet zij leven.” 17  De vroedvrouwen echter vreesden de [ware] God,+ en zij deden niet zoals de koning van Egy̱pte tot hen gesproken had,+ maar zij hielden de mannelijke kinderen altijd in het leven.+ 18  Na verloop van tijd riep de koning van Egy̱pte de vroedvrouwen en zei tot hen: „Waarom hebt GIJ deze zaak gedaan, dat GIJ de mannelijke kinderen in het leven hebt gehouden?”+ 19  Waarop de vroedvrouwen tot Farao zeiden: „Omdat de Hebreeuwse vrouwen niet zijn als de Egyptische vrouwen. Want zij zijn levenskrachtig, zij hebben reeds gebaard voordat de vroedvrouw bij hen kan komen.” 20  Daarom zorgde God dat het de vroedvrouwen goed ging;+ en het volk bleef talrijker en zeer machtig worden. 21  Omdat nu de vroedvrouwen de [ware] God hadden gevreesd, geschiedde het dat hij hun later gezinnen schonk.*+ 22  Ten slotte gebood Farao zijn gehele volk en zei: „Iedere pasgeboren zoon dient GIJ in de rivier de Nijl te werpen, maar iedere dochter dient GIJ in het leven te houden.”+

Voetnoten

„Dit nu zijn de namen.” Hebr.: Weʼelʹleh sjemōthʹ. In het Hebr. is dit tweede boek van de bijbel naar deze aanvangswoorden genoemd, soms verkort tot Sjemōthʹ. LXXVg noemen dit boek „Exodus” (Gr.: Eʹxo·dos; Lat.: Exʹo·dus).
„Zeventig zielen”, MVg; LXX: „vijfenzeventig.” Zie Ge 46:20, 27 vtnn.
Lett.: „hem” of „het”, d.w.z. het Israëlitische volk.
„Ons”, SamLXXSyVg; M laat het weg.
D.w.z. in de zon gedroogde bakstenen.
Lett.: „en hij maakte huizen voor hen.”