Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Esther 5:1-14

5  Nu gebeurde het op de derde dag,+ dat E̱sther zich voorts koninklijk kleedde,+ waarna zij ging staan in het binnenste voorhof+ van het huis van de koning tegenover het huis van de koning, terwijl de koning gezeten was op zijn koninklijke troon in het koninklijke huis tegenover de ingang van het huis.  Het geschiedde dan dat zodra de koning E̱sther, de koningin, in het voorhof zag staan, zij gunst verwierf+ in zijn ogen, zodat de koning E̱sther de gouden scepter toereikte+ die hij in de hand had. E̱sther kwam nu naderbij en raakte de punt van de scepter aan.  Toen zei de koning tot haar: „Wat hebt gij, o koningin E̱sther, en wat is uw verzoek?+ Tot de helft van het koningschap+ — ja, het worde u gegeven!”  Op haar beurt zei E̱sther: „Indien het de koning werkelijk goeddunkt, laat de koning dan vandaag met Ha̱man+ op het feestmaal komen*+ dat ik voor hem heb bereid.”  Bijgevolg zei de koning: „LAAT Ha̱man vlug+ aan het woord van E̱sther voldoen.” Later kwamen de koning en Ha̱man naar het feestmaal dat E̱sther had bereid.  Na verloop van tijd zei de koning tijdens het wijnfeestmaal tot E̱sther: „Wat is uw bede?+ Ja, ze worde u toegestaan! En wat is uw verzoek? Tot de helft van het koningschap — ja, het worde ingewilligd!”  Hierop antwoordde E̱sther en zei: „Mijn bede en mijn verzoek is:  Indien ik gunst gevonden heb in de ogen van de koning+ en indien het de koning werkelijk goeddunkt mijn bede toe te staan en mijn verzoek in te willigen, laten de koning en Ha̱man dan op het feestmaal komen dat ik [morgen*] voor hen zal aanrechten, en morgen zal ik doen naar het woord van de koning.”+  Dientengevolge ging Ha̱man die dag verheugd+ en vrolijk van hart naar buiten; maar zodra Ha̱man Mo̱rdechai in de poort van de koning+ zag en [bemerkte] dat hij niet opstond+ en niet beefde wegens hem,+ werd Ha̱man onmiddellijk met woede tegen Mo̱rdechai vervuld.+ 10  Ha̱man bedwong zich echter en ging zijn huis binnen. Toen liet hij zijn vrienden* en zijn vrouw Ze̱res+ halen; 11  en Ha̱man maakte hun voorts de heerlijkheid van zijn rijkdom bekend+ en het grote aantal van zijn zonen+ en alles waarmee de koning hem groot had gemaakt, en hoe hij hem boven de vorsten en de dienaren van de koning had verheven.+ 12  Vervolgens zei Ha̱man: „Wat meer is, E̱sther, de koningin, heeft niemand anders dan mij met de koning op het feestmaal laten komen dat zij had bereid,+ en ook morgen+ ben ik met de koning bij haar uitgenodigd. 13  Maar dit alles — niets ervan geeft mij voldoening* zolang ik die jood Mo̱rdechai in de poort van de koning zie zitten.” 14  Daarop zeiden zijn vrouw Ze̱res en al zijn vrienden tot hem: „Laat men een paal*+ maken, vijftig el* hoog. Zeg dan morgenochtend+ tot de koning, dat men Mo̱rdechai daaraan dient op te hangen.+ Ga daarna verheugd met de koning naar het feestmaal.” De zaak dan scheen Ha̱man goed toe,+ en hij liet vervolgens de paal maken.+

Voetnoten

„Laat de koning dan vandaag met Haman . . . komen.” Dit is blijkbaar het tweede acrostichon van het Tetragrammaton, JHWH, in Esther. Hebr.: Ja·vōʼʹ Ham·meʹlekh Weha·manʹ Hai·jōmʹ. Men kent drie oude Hebr. hss. die dit acrostichon van de Hebr. letters van de goddelijke naam, יהוה (JHWH), door majuskels (grote letters) aangeven, en wel als volgt: יוםה המןו מלךה בואי. De masora vestigt hier door rode letters de aandacht op. Zie 1:20 vtn.
„Morgen”, LXX; MVg laten het weg.
Of: „degenen die hem liefhadden.”
„Maar dit alles — niets ervan geeft mij voldoening.” Hebr.: wekhol-zeʼē·nenʹnOE sjo·welI. Hier komt de OE overeen met de W en de I met de J. Dit is blijkbaar het derde acrostichon van het Tetragrammaton, יהוה (JHWH), in Esther. Men kent drie oude Hebr. hss. die dit acrostichon van de Hebr. letters van de goddelijke naam, יהוה, hier in omgekeerde volgorde gespeld, door majuskels (grote letters) aangeven, en wel als volgt: יל השו ואיננ הוכל־ז. De masora vestigt hier door rode letters de aandacht op. Zie vs. 4 en 1:20 vtnn.
Lett.: „boom (hout).” Hebr.: ʽets; Gr.: xuʹlon; Lat.: traʹbem. Vgl. Ge 40:19 vtn.
Ca. 22,3 m.