Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Esther 4:1-17

4  En Mo̱rdechai+ zelf kwam te weten wat er allemaal was gedaan;+ en Mo̱rdechai scheurde toen zijn kleren en hulde zich in zak+ en as+ en ging uit naar het midden van de stad en hief een luid en bitter geschrei aan.+  Ten slotte kwam hij tot vóór de poort van de koning,+ want niemand mocht in zakken gehuld de poort van de koning binnengaan.  En in al de verschillende rechtsgebieden,+ overal waar het woord van de koning en zijn wet aankwamen, was er grote rouw+ onder de joden, en vasten+ en geween en geweeklaag. Ja, zak+ en as+ werd voor velen als rustbed uitgespreid.  En E̱sthers jonge vrouwen en haar eunuchen+ kwamen voorts en vertelden het haar. En het deed de koningin zeer veel leed. Toen zond zij kleren om Mo̱rdechai daarmee te kleden en zijn zak van hem weg te nemen. En hij nam [ze] niet aan.+  Hierop riep E̱sther Ha̱thach,+ een van de eunuchen van de koning, die hij haar ten dienste had gesteld, en zij gaf hem vervolgens een bevel aangaande Mo̱rdechai, om te weten wat dit betekende en waartoe dit alles diende.  Ha̱thach ging dus naar buiten naar Mo̱rdechai op het openbare stadsplein dat vóór de poort van de koning lag.  Toen vertelde Mo̱rdechai hem wat hem allemaal overkomen was+ en de nauwkeurige opgave van het geld dat Ha̱man gezegd had aan de schatkamer van de koning te zullen betalen+ ten nadele van de joden, ten einde hen om te brengen.+  En hij gaf hem een afschrift+ van de geschreven wet die in Su̱san was uitgevaardigd+ om hen te laten verdelgen, ten einde dat aan E̱sther te laten zien en haar [alles] te vertellen en haar het gebod op te leggen+ naar de koning te gaan en hem gunst af te smeken+ en rechtstreeks voor zijn aangezicht een verzoek te doen voor haar eigen volk.+  Ha̱thach+ ging nu naar binnen en deelde E̱sther Mo̱rdechai’s woorden mee. 10  Toen zei E̱sther tot Ha̱thach en gebood hem aangaande Mo̱rdechai:+ 11  „Alle dienaren van de koning en het volk van de rechtsgebieden van de koning weten, dat met betrekking tot enige man of vrouw die tot de koning in het binnenste voorhof+ komt zonder dat hij geroepen is, zijn ene wet+ geldt: [hem] ter dood te laten brengen; alleen ingeval de koning hem de gouden scepter toereikt, dan zal hij stellig in leven blijven.+ Wat mij betreft, ik ben nu al in geen dertig dagen geroepen om bij de koning binnen te komen.” 12  En men deelde Mo̱rdechai voorts de woorden van E̱sther mee. 13  Toen zei Mo̱rdechai dat men E̱sther moest antwoorden: „Beeld u in uw eigen ziel niet in dat het huisgezin van de koning meer kans zal hebben te ontkomen dan alle andere joden.+ 14  Want indien gij er in deze tijd volkomen het zwijgen toe doet, zal er voor de joden wel vanuit een andere plaats verademing en bevrijding opdagen;+ maar wat u en het huis van uw vader betreft, gijlieden zult omkomen. En wie weet, of gij niet juist voor een tijd als deze tot de koninklijke waardigheid gekomen zijt?”+ 15  Bijgevolg zei E̱sther dat men Mo̱rdechai moest antwoorden: 16  „Ga heen, vergader al de joden die zich in Su̱san+ bevinden, en vast+ ten behoeve van mij en eet noch drinkt gedurende drie dagen,+ nacht en dag. Ook ik met mijn jonge vrouwen,+ ik zal eveneens vasten, en daarop zal ik tot de koning gaan, hetgeen niet volgens de wet is; en ingeval ik moet omkomen,+ moet ik omkomen.” 17  Hierop ging Mo̱rdechai verder en deed vervolgens naar alles wat E̱sther hem als gebod had opgelegd.

Voetnoten