Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Deuteronomium 33:1-29

33  Dit nu is de zegen+ waarmee Mo̱zes, de man van de [ware] God,+ vóór zijn dood de zonen van I̱sraël zegende.  Hij zei dan: „Jehovah — van de Si̱naï is hij gekomen,+ En hij is stralend over hen opgegaan uit Se̱ïr.+ Hij is in lichtglans verschenen van het bergland van Pa̱ran,+ En met hem waren heilige myriaden,*+ Aan zijn rechterhand tot hen behorende krijgslieden.*+   Ook koesterde hij zijn volk;*+ Al hun* heiligen zijn in uw hand.+ En zij — zij hebben aan uw voeten aangelegen;*+ Zij ontvingen toen iets van uw woorden.+   (Mo̱zes heeft ons als gebod een wet opgelegd,*+ Een bezit van de gemeente van Ja̱kob.)+   En hij werd koning in Je̱schurun,*+ Toen de hoofden van het volk zich verzamelden,+ Het gehele aantal van de stammen van I̱sraël.+   Dat Ru̱ben leve en niet uitsterve,+ En laten zijn mannen [niet] weinigen worden.”*+  En dit was Ju̱da’s [zegen*],+ toen hij vervolgde: „Hoor, o Jehovah, de stem van Ju̱da,+ En moogt gij hem tot zijn volk brengen. Zijn armen hebben gestreden voor wat het zijne is;* En moogt gij een hulp tegen zijn tegenstanders blijken te zijn.”+  En aangaande Le̱vi zei hij:+ „Uw Tummim* en uw Urim+ behoren de man toe die jegens u loyaal is,*+ Die gij bij Ma̱ssa op de proef hebt gesteld.+ Gij zijt met hem gaan twisten bij de wateren van Me̱riba,+   De man die tot zijn vader en zijn moeder zei: ’Ik heb hem niet gezien.’ Zelfs zijn broeders erkende hij niet,+ En zijn zonen kende hij niet. Want zij hebben uw woord onderhouden,+ En uw verbond zijn zij steeds nagekomen.+ 10  Laat hen Ja̱kob onderrichten in uw rechterlijke beslissingen+ En I̱sraël in uw wet.+ Laat hen reukwerk opdragen vóór uw neusgaten+ En een volledig offer op uw altaar.+ 11  Zegen, o Jehovah, zijn vitale kracht,+ En moogt gij een welgevallen tonen aan de activiteit van zijn handen.+ Verwond zwaar aan de heupen hen die tegen hem opstaan,+ En hen die hem intens haten, opdat zij niet kunnen opstaan.”+ 12  Aangaande Be̱njamin zei hij:+ „Laat de lieveling+ van Jehovah in zekerheid bij hem verblijf houden,+ Terwijl hij hem de gehele dag beschermt,+ En hij moet tussen zijn schouders verblijf houden.”+ 13  En aangaande Jo̱zef zei hij:+ „Moge zijn land voortdurend door Jehovah gezegend worden+ Met de uitgelezen dingen van de hemel, met dauw,*+ En met de waterdiepte, die beneden ligt,+ 14  En met de uitgelezen dingen, de voortbrengselen van de zon,+ En met de uitgelezen dingen, de opbrengst van de maanmaanden,+ 15  En met het meest uitgelezene van de bergen van het oosten,+ En met de uitgelezen dingen van de voor onbepaalde tijd blijvende heuvels, 16  En met de uitgelezen dingen van de aarde en haar volheid,+ En met de goedkeuring van Degene die verblijf houdt in het doornbos.+ Mogen ze komen op het hoofd van Jo̱zef+ En op de schedel van degene die van zijn broeders is afgezonderd.*+ 17  Als de eerstgeborene van een stier is zijn pracht,+ En zijn hoorns zijn de hoorns van een wilde stier.*+ Daarmee zal hij volken stoten,+ Alle te zamen, tot aan de einden der aarde, En dit zijn de tienduizenden van E̱fraïm,+ En dit zijn de duizenden van Mana̱sse.” 18  En aangaande Ze̱bulon zei hij:+ „Verheug u, o Ze̱bulon, over uw uitgaan,+ En I̱ssaschar, over uw tenten.+ 19  Volken zullen zij roepen tot de berg. Daar zullen zij de slachtoffers van rechtvaardigheid offeren.+ Want zij zullen de overvloedige rijkdom der zeeën inzuigen+ En de verborgen schatten van het zand.”* 20  En aangaande Gad zei hij:+ „Gezegend is hij die de grenzen van Gad uitbreidt.+ Als een leeuw* moet hij verblijf houden,+ En hij moet de arm, ja, de schedel verscheuren.+ 21  En hij zal het eerste deel voor zich kiezen,*+ Want daar is het toegemeten deel van een wetgever bewaard.+ En de hoofden van het volk zullen zich verzamelen.* De rechtvaardigheid van Jehovah zal hij stellig voltrekken En zijn rechterlijke beslissingen met I̱sraël.” 22  En aangaande Dan zei hij:+ „Dan is een leeuwenwelp.+ Hij zal uit Ba̱san te voorschijn springen.”+ 23  En aangaande Na̱ftali zei hij:+ „Na̱ftali is verzadigd van de goedkeuring En vervuld van de zegen van Jehovah. Neem toch het westen en het zuiden in bezit.”*+ 24  En aangaande A̱ser zei hij:+ „Gezegend met zonen is A̱ser.+ Hij worde een goedgekeurde door zijn broeders,+ En een die zijn voet in olie dompelt.+ 25  IJzer en koper zijn uw poortsloten,+ En overeenkomstig uw dagen is uw bedaarde gang.* 26  Er is niemand gelijk de [ware] God*+ van Je̱schurun,+ Die de hemel berijdt tot uw hulp+ En de wolkenhemel in zijn uitnemendheid.*+ 27  Een schuilplaats is de aloude God,+ En onder zijn de voor onbepaalde tijd blijvende armen [van God].+ En hij zal de vijand van voor uw aangezicht verdrijven,+ En hij zal zeggen: ’Verdelg [hen]!’+ 28  En I̱sraël zal in zekerheid verblijf houden,+ De bron van Ja̱kob op zichzelf,+ In* een land van koren en nieuwe wijn.+ Ja, zijn hemel zal de dauw laten neerdruipen.+ 29  Gelukkig zijt gij, o I̱sraël!+ Wie is er als gij,+ Een volk dat redding geniet in Jehovah,+ Het schild van uw hulp,+ En Degene die uw uitnemende zwaard is?+ Daarom zullen uw vijanden voor u kruipen,*+ En gij — gij zult op hun hoge plaatsen treden.”*+

Voetnoten

Of: „tienduizenden heiligen.”
Of: „en met hem waren myriaden van Kades, aan zijn rechterhand krijgslieden [of engelen] ervan.” Zie JTS, Jg. 2, 1951, blz. 30, 31. LXX: „met [de] myriaden van Kades; aan zijn rechterhand [waren] engelen met hem”; Vg: „en met hem duizenden heiligen. In zijn rechterhand [was] een vurige wet.” Mmarge splitst het Hebr. op in twee woorden, ʼesj (vuur) en dath (wet), en leest dan: „het vuur van een wet”; of: „een vurige wet.” Maar hiermee zou men een Perzisch leenwoord, dath (wet), in de Pentateuch invoeren, dat elders in het Hebr. alleen in Ezra en Esther wordt aangetroffen. Zie Ezr 8:36; Es 1:8.
„Zijn volk”, LXX; MSamSyVg: „volken”, duidend op de Israëlitische stammen of hun voorvaders.
Lett.: „zijn”, in coll. zin, mogelijk duidend op „zijn volk”, wat in M mv. is (Hebr.: ʽam·mim′).
Mogelijk: „En zij — zij volgden aan uw voeten.” De betekenis van het Hebr. ww. is onzeker. LXX: „En dezen staan onder u”; Vg: „En zij die tot zijn voeten naderen.”
„Mozes heeft ons als gebod een wet opgelegd.” Sommigen beschouwen deze woorden als een glos uit de marge en schrappen ze dus liever.
Bet.: „Oprechte”; een eretitel voor Israël.
„En laat zijn aantal volledig (volmaakt) worden”, door een in BHK en BHS geopperde correctie; LXX: „en laat hem groot in aantal zijn”; Vg: „en laat hem klein in aantal zijn.”
„Zegen.” Ingelast ter wille van de betekenis, in overeenstemming met vs. 1.
Of: „gestreden voor hem.”
Zie Ex 28:30 vtn., „Tummim”.
Mogelijk: „behoren uw man van loyale liefde toe.”
„Van de hemel boven”, twee Hebr. hss. In TO luidt deze regel: „met dauw des hemels van boven.” Zie Ge 49:25.
„Degene die . . . is afgezonderd.” MSam(Hebr.): nezir′, in Nu 6:2, 13, 18-20 vertaald met „nazireeër” (wat „afgezonderde; opgedragene; afgescheidene” betekent).
Of: „een buffel.”
„En de verborgen schatten van het zand”, Vg („zand” in het mv.); LXX: „en de handelswaar van de bewoners van de zeekust.”
„Als een leeuw.” Hebr.: kela·viʼ′, de Aziatische leeuw.
Lett.: „En hij zal erop toezien dat het eerste deel van hem is.” Vg: „En hij zag erop toe dat de eerste plaats (voorrang) voor hem was.”
Lett.: „want daar was het toegemeten deel (het aandeel) van een aanvoerder [zijn voorgeschreven deel, door een tekstverbetering] verborgen. Voorts kwam hij [met] de hoofden van het volk”, M; Vg: „want in zijn deel was de leraar gesteld (bewaard) . . . .”
Mogelijk: „De zee en haar vis zijn zijn bezit.” LXXSyVg: „De zee (het westen) en het zuiden zal hij beërven (in bezit nemen).”
„Bedaarde gang.” Of: „pas.” Volgens KB3, blz. 199: „sterkte.”
„Gelijk de [ware] God van.” Hebr.: ka·ʼEl′. Hier staat het bep. lw. ha, „de”, aangegeven door het klinkerteken onder het Hebr. vz. kaf, „k”, zodat ka ontstaat, „gelijk de”. Met deze inleiding krijgt het zn. „God”, hier weergegeven met „de [ware] God”, speciale nadruk. Zie Hebr. grammaticaboeken onder „voorzetsels”; App. 1G.
„En de luisterrijke van het firmament”, LXX; Vg: „door zijn luister trekken de wolken heen en weer.”
„In”, Sam; M: „naar (voor).”
Of: „voorgeven u gehoorzaam te zijn.”
De stam Simeon wordt in de zegen over geheel Israël niet genoemd, maar doordat Levi wel wordt genoemd en ook de stammen Efraïm en Manasse, die van Jozef afstamden, blijft het aantal stammen 12.