Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Deuteronomium 28:1-68

28  En het moet geschieden dat indien gij zonder mankeren naar de stem van Jehovah,* uw God, zult luisteren door al zijn geboden die ik u heden gebied, zorgvuldig te volbrengen,+ Jehovah,* uw God, u ook stellig hoog boven alle andere natiën der aarde zal verheffen.+  En al deze zegeningen moeten over u komen en u bereiken,+ omdat gij naar de stem van Jehovah, uw God, blijft luisteren:  Gezegend zult gij zijn in de stad,+ en gezegend zult gij zijn op het veld.+  Gezegend zullen zijn de vrucht van uw buik+ en de vrucht van uw bodem en de vrucht van uw huisdieren,+ de jongen van uw runderen en de teelt van uw kleinvee.+  Gezegend zullen zijn uw mand+ en uw baktrog.+  Gezegend zult gij zijn bij uw ingaan, en gezegend zult gij zijn bij uw uitgaan.+  Jehovah* zal uw vijanden die tegen u opstaan, de nederlaag voor u doen lijden.+ Langs één weg zullen zij tegen u uittrekken, maar langs zeven wegen zullen zij voor u vluchten.+  Jehovah* zal voor u de zegen verordenen over uw voorraadruimten+ en over al wat gij onderneemt,+ en hij zal u stellig zegenen in het land dat Jehovah, uw God, u geeft.  Jehovah zal u als een heilig volk voor zich bevestigen,+ juist zoals hij u heeft gezworen,+ omdat gij de geboden van Jehovah,* uw God, blijft onderhouden+ en zijn wegen hebt bewandeld. 10  En alle volken der aarde zullen moeten zien dat Jehovah’s naam over u is uitgeroepen,+ en zij zullen inderdaad bevreesd voor u zijn.+ 11  Ook zal Jehovah u inderdaad in overvloedige mate voorspoed schenken met betrekking tot de vrucht van uw buik+ en de vrucht van uw huisdieren en de vrucht van uw bodem,+ op de bodem die Jehovah uw voorvaders onder ede beloofd heeft u te geven.+ 12  Jehovah zal zijn goede schatkamer, de hemel, voor u openen, om op de juiste tijd ervoor de regen op uw land te geven+ en al het werk van uw hand te zegenen;+ en gij zult stellig aan vele natiën lenen, terwijl gij zelf van niemand zult lenen.+ 13  En Jehovah zal u inderdaad tot kop maken en niet tot staart; en gij moet alleen maar bovenaan komen te staan,+ en gij zult niet onderaan komen te staan, omdat gij de geboden+ van Jehovah,* uw God, blijft gehoorzamen, die ik u heden gebied om [ze] te onderhouden en te volbrengen. 14  En gij moogt niet afwijken van alle woorden die ik U heden gebied, noch naar rechts noch naar links,+ ten einde andere goden achterna te lopen om die te dienen.+ 15  En het moet geschieden dat indien gij niet naar de stem van Jehovah, uw God, zult luisteren door er zorg voor te dragen al zijn geboden en zijn inzettingen die ik u heden gebied, te volbrengen, al deze vervloekingen ook over u moeten komen en u moeten bereiken:+ 16  Vervloekt zult gij zijn in de stad,+ en vervloekt zult gij zijn op het veld.+ 17  Vervloekt zullen zijn uw mand+ en uw baktrog.+ 18  Vervloekt zullen zijn de vrucht van uw buik+ en de vrucht van uw bodem,+ de jongen van uw runderen en de teelt van uw kleinvee.+ 19  Vervloekt zult gij zijn bij uw ingaan, en vervloekt zult gij zijn bij uw uitgaan.+ 20  Jehovah zal de vloek,+ verwarring+ en bestraffing over u zenden+ in al wat gij onderneemt, dat gij tracht te volvoeren, totdat gij verdelgd en snel vergaan zijt, wegens de slechtheid van uw praktijken, omdat gij mij hebt verlaten.+ 21  Jehovah zal de pestilentie aan u doen kleven, totdat hij u uitgeroeid heeft van de bodem waarheen gij gaat om die in bezit te nemen.+ 22  Jehovah zal u slaan met tuberculose+ en brandende koorts en ontsteking en koortshitte en het zwaard*+ en [koren]brand+ en meeldauw,+ en die zullen u stellig achtervolgen totdat gij zijt vergaan. 23  Ook moet uw hemel die boven uw hoofd is, koper worden, en de aarde die onder u is, ijzer.+ 24  Jehovah zal stuifzand en stof als de regen voor uw land geven. Van de hemel zal het op u neerdalen, totdat gij verdelgd zijt. 25  Jehovah zal u de nederlaag doen lijden voor uw vijanden.+ Langs één weg zult gij tegen hen uittrekken, maar langs zeven wegen zult gij voor hen vluchten; en gij moet voor alle koninkrijken der aarde een schrikbeeld worden.+ 26  En uw dode lichaam moet tot voedsel worden voor elk vliegend schepsel des hemels en voor het gedierte van het veld,* zonder dat iemand [ze] doet beven.+ 27  Jehovah zal u slaan met Egyptische zweren+ en met aambeien en eczeem en huiduitslag, waarvan gij niet genezen zult kunnen worden. 28  Jehovah zal u slaan met waanzin+ en verlies van het gezicht+ en verbijstering des harten.+ 29  En gij zult inderdaad iemand worden die op de middag rondtast, net zoals een blinde in het donker rondtast,+ en gij zult uw wegen niet succesvol maken; en gij moet slechts iemand worden die altijd te kort gedaan en beroofd wordt, zonder dat iemand u redt.+ 30  Gij zult u met een vrouw verloven, maar een andere man zal haar verkrachten.+ Gij zult een huis bouwen, maar gij zult er niet in wonen.+ Gij zult een wijngaard planten, maar gij zult hem niet in gebruik nemen.+ 31  Uw stier zo voor uw ogen geslacht — maar gij zult er niets van eten. Uw ezel van voor uw aangezicht weggeroofd — maar hij zal niet tot u terugkeren. Uw schapen aan uw vijanden gegeven — maar gij zult geen redder hebben.+ 32  Uw zonen en uw dochters aan een ander volk gegeven,+ terwijl gij het met eigen ogen aanziet en steeds naar hen smacht — maar uw handen* zullen geen kracht hebben.+ 33  Een volk dat gij niet hebt gekend, zal de vrucht van uw bodem en uw hele opbrengst eten;+ en gij moet iemand worden die te allen tijde alleen maar te kort gedaan en verbrijzeld wordt.+ 34  En gij zult stellig waanzinnig worden bij de aanblik van wat gij met uw ogen zult zien.+ 35  Jehovah zal u slaan met kwaadaardige zweren aan beide knieën en beide benen, waarvan gij niet genezen zult kunnen worden, van uw voetzool af tot uw schedel toe.+ 36  Jehovah zal u+ en uw koning+ die gij over u zult aanstellen, naar een natie voeren die gij niet hebt gekend, gij noch uw voorvaders; en daar zult gij andere goden moeten dienen, van hout en van steen.+ 37  En gij moet een voorwerp van ontzetting,+ een spreekwoord+ en een spotrede worden onder alle volken waar Jehovah u zal heenvoeren. 38  Veel zaad zult gij naar het veld brengen, maar gij zult weinig inzamelen,+ want de sprinkhaan zal het verslinden.+ 39  Wijngaarden zult gij planten en stellig bewerken, maar gij zult geen wijn drinken en niets inzamelen,+ want de worm zal het verteren.+ 40  Gij zult olijfbomen krijgen in heel uw gebied, maar gij zult u niet met olie inwrijven, want uw olijven zullen afvallen.+ 41  Zonen en dochters zult gij voortbrengen, maar zij zullen de uwe niet blijven, want zij zullen in gevangenschap gaan.+ 42  Al uw bomen en de vrucht van uw bodem zullen gonzende insecten* in bezit nemen. 43  De inwonende vreemdeling die in uw midden is, zal al hoger en hoger boven u uitstijgen, en gij — gij zult al lager en lager afdalen.+ 44  Híȷ́ zal aan u lenen, en gij — gij zult niet aan hem lenen.+ Hij zal de kop worden, en gij — gij zult de staart worden.+ 45  En al deze vervloekingen+ zullen stellig over u komen en u achtervolgen en u bereiken, totdat gij verdelgd zijt,+ omdat gij niet hebt geluisterd naar de stem van Jehovah, uw God, door zijn geboden en zijn inzettingen die hij u geboden heeft, te onderhouden.+ 46  En ze moeten tot onbepaalde tijd als een teken en een wonder op u en uw nageslacht blijven rusten,+ 47  ten gevolge van het feit dat gij Jehovah, uw God, niet met verheuging en vreugde+ des harten* hebt gediend wegens de overvloed van alles.+ 48  En gij zult uw vijanden moeten dienen,+ die Jehovah op u zal afzenden, met honger+ en dorst en naaktheid en gebrek aan alles; en hij zal u stellig een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat hij u verdelgd heeft.+ 49  Jehovah zal een verre natie, van het einde der aarde, tegen u verwekken,+ net zoals een arend neerschiet,+ een natie waarvan gij de taal niet zult verstaan,+ 50  een natie met bars gelaat,+ die geen consideratie zal hebben met een grijsaard, noch gunst zal betonen aan een jongeling.+ 51  En zij zullen stellig de vrucht van uw huisdieren en de vrucht van uw bodem opeten, totdat gij verdelgd zijt,+ en zij zullen u geen koren, nieuwe wijn of olie, geen jongen van uw runderen of teelt van uw kleinvee overlaten, totdat zij u hebben vernietigd.+ 52  En zij zullen u inderdaad binnen al uw poorten belegeren, totdat uw hoge en versterkte muren waarop gij vertrouwt, in heel uw land vallen, ja, zij zullen u stellig belegeren binnen al uw poorten in heel uw land, dat Jehovah, uw God, u gegeven heeft.+ 53  Dan zult gij de vrucht van uw buik moeten eten, het vlees van uw zonen en uw dochters,+ die Jehovah, uw God, u gegeven heeft, wegens de beklemming en benardheid waarmee uw vijand u zal insluiten. 54  Wat de zeer verwekelijkte en verwende man onder u betreft, zijn oog+ zal kwalijk gezind zijn jegens zijn broeder en zijn innig geliefde vrouw en het overschot van zijn zonen, die hij nog overgehouden heeft, 55  zodat hij aan geen van hen iets zal geven van het vlees van zijn zonen dat hij zal eten, omdat hem niets anders overgebleven is wegens de beklemming en benardheid waarmee uw vijand u binnen al uw poorten zal insluiten.+ 56  Wat de verwekelijkte en verwende vrouw onder u betreft, die van verwendheid en wekelijkheid nooit beproefd heeft haar voetzool op de aarde te zetten,+ haar oog zal kwalijk gezind zijn jegens haar innig geliefde echtgenoot en haar zoon en haar dochter, 57  ja, zelfs jegens haar nageboorte die van tussen haar benen te voorschijn komt, en jegens haar zonen die zij ging baren,+ want bij gebrek aan alles zal zij ze in het geheim eten, wegens de beklemming en benardheid waarmee uw vijand u binnen uw poorten zal insluiten.+ 58  Indien gij er geen zorg voor zult dragen alle woorden van deze wet die in dit boek geschreven zijn, te volbrengen+ door deze glorierijke+ en vrees inboezemende+ naam, ja, Jehovah,+ uw God, te vrezen, 59  dan zal Jehovah stellig uw plagen en de plagen van uw nageslacht buitengewoon zwaar maken, grote en aanhoudende plagen,+ en kwaadaardige en aanhoudende ziekten.+ 60  En hij zal inderdaad alle kwalen van Egy̱pte, waarvoor gij zo bang zijt geworden, weer over u brengen, en ze zullen stellig aan u vastkleven.+ 61  Ook eventuele ziekten en plagen die niet in het boek van deze wet beschreven zijn, [ook] die zal Jehovah* over u brengen, totdat gij verdelgd zijt. 62  En GIJ zult inderdaad met een zeer klein aantal overblijven,+ ofschoon GIJ zo talrijk zijt geworden als de sterren aan de hemel,+ omdat gij niet hebt geluisterd naar de stem van Jehovah,* uw God. 63  En het moet geschieden dat net zoals Jehovah uitbundige vreugde over U had om U goed te doen en U te vermenigvuldigen,+ zo zal Jehovah uitbundige vreugde over U hebben om U te vernietigen en U te verdelgen;+ en GIJ zult eenvoudig weggerukt worden van de bodem waarheen gij gaat om die in bezit te nemen.+ 64  En Jehovah* zal u stellig onder alle volken verstrooien, van het ene einde der aarde tot het andere einde der aarde,+ en daar zult gij andere goden moeten dienen, die gij niet hebt gekend, gij noch uw voorvaders, [goden van] hout en steen.+ 65  En onder die natiën zult gij geen rust vinden,+ noch zal er enige rustplaats voor uw voetzool blijken te zijn; en Jehovah* zal u daar inderdaad een bevend hart+ en verzwakking der ogen+ en een door wanhoop gekwelde ziel geven. 66  En gij zult stellig in het grootste gevaar voor uw leven verkeren* en nacht en dag in angst zitten, en gij zult uw leven niet zeker zijn.+ 67  ’s Morgens zult gij zeggen: ’Was het maar avond!’,* en ’s avonds zult gij zeggen: ’Was het maar morgen!’,* om de angst van uw hart waarmee gij in angst zult verkeren, en om de aanblik van wat gij met uw ogen zult zien.+ 68  En Jehovah zal u stellig op schepen naar Egy̱pte terugbrengen, langs de weg waarvan ik tot u heb gezegd: ’Gij zult die nooit meer zien’,+ en daar zult GIJ U als slaven en dienstmaagden aan uw vijanden moeten verkopen,+ maar er zal geen koper zijn.”

Voetnoten

Zie App. 1C (1).
Zie App. 1C (1).
Zie App. 1C (1).
Zie App. 1C (1).
Zie App. 1C (1).
Zie App. 1C (1).
„Zwaard”, MSy; door een verandering in vocalisatie: „droogheid; droogte”; Vg: „hitte”; LXXB laat het weg.
Lett.: „de aarde.”
„Handen”, Sy en 46 Hebr. hss.; MSamLXXVg: „hand.”
Of: „ratelende legers.” LXXVg: „[zal] de roest” (een plantenziekte).
Of: „en tevredenheid.”
Zie App. 1C (1).
Zie App. 1C (1).
Zie App. 1C (1).
Zie App. 1C (1).
Lett.: „En uw leven zal stellig [als aan een draad] tegenover u hangen.”
Lett.: „Wie zal avond geven?”
Lett.: „Wie zal ochtend geven?”