Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Deuteronomium 12:1-32

12  Dit zijn de voorschriften+ en de rechterlijke beslissingen+ die GIJ, al de dagen dat GIJ op de bodem leeft,+ zorgvuldig dient te volbrengen+ in het land dat Jehovah, de God van uw voorvaders, u stellig in bezit zal laten nemen.  GIJ dient absoluut alle plaatsen te vernietigen+ waar de natiën die GIJ uit hun bezit verdrijft, hun goden hebben gediend, op de hoge bergen en de heuvels en onder elke lommerrijke boom.+  En GIJ moet hun altaren afbreken+ en hun heilige zuilen verbrijzelen,+ en GIJ dient hun heilige palen* in het vuur te verbranden+ en de gehouwen beelden van hun goden om te hakken,+ en GIJ moet hun namen van die plaats doen vergaan.+  Zo moogt GIJ niet doen ten aanzien van Jehovah, UW God,+  maar de plaats die Jehovah, UW God, uit al UW stammen zal uitkiezen om daar zijn naam te vestigen, om die [daar] te doen verblijven,* die zult GIJ zoeken, en daarheen moet gij gaan.+  En daar moet GIJ UW brandoffers+ en UW slachtoffers en UW tienden+ en de bijdrage van UW hand+ en UW gelofteoffers+ en UW vrijwillige gaven+ en de eerstgeborenen van UW rundvee en van UW kleinvee brengen.+  En daar moet GIJ eten voor het aangezicht van Jehovah, UW God,+ en U verheugen over alles wat GIJ onderneemt,*+ GIJ en UW huisgezinnen, omdat Jehovah, uw God, u heeft gezegend.  GIJ moogt niet doen naar alles wat wij hier heden doen, een ieder al wat recht is in zijn eigen ogen,+  omdat GIJ nog niet op de rustplaats+ zijt gekomen en in het erfdeel dat Jehovah, uw God, u geeft. 10  En GIJ moet de Jorda̱a̱n overtrekken+ en wonen in het land dat Jehovah, UW God, U tot een bezitting geeft,+ en hij zal U stellig rust geven van al UW vijanden rondom, en GIJ zult inderdaad in zekerheid wonen.+ 11  En het moet geschieden dat de plaats+ die Jehovah, UW God, zal uitkiezen om daar zijn naam te doen verblijven, daarheen zult GIJ alles brengen wat ik U gebied: UW brandoffers+ en UW slachtoffers, UW tienden+ en de bijdrage+ van UW hand en elke keur van UW gelofteoffers+ die GIJ Jehovah plechtig zult beloven. 12  En GIJ moet U verheugen voor het aangezicht van Jehovah, UW God,+ GIJ en UW zonen en UW dochters en UW slaven en UW slavinnen en de leviet die binnen UW poorten* is, omdat hij geen deel noch erfdeel met U heeft.+ 13  Neem u in acht dat gij uw brandoffers niet brengt op enige andere plaats die gij mocht zien.+ 14  Maar op de plaats die Jehovah in een van uw stammen zal uitkiezen, daar dient gij uw brandoffers te brengen, en daar dient gij te doen al wat ik u gebied.+ 15  Slechts wanneer uw ziel er hevig naar verlangt, moogt gij slachten,+ en gij moet vlees eten overeenkomstig de zegen van Jehovah, uw God, die hij u gegeven heeft, binnen al uw poorten.* De onreine+ en de reine mogen daarvan eten, zoals van de gazelle en zoals van het hert.+ 16  Alleen het bloed moogt GIJ niet eten.+ Gij dient het als water op de aarde uit te gieten.+ 17  Het zal u niet worden toegestaan binnen uw poorten het tiende deel van uw koren+ of van uw nieuwe wijn of van uw olie te eten, of de eerstgeborenen van uw rundvee en van uw kleinvee+ of enige van uw gelofteoffers die gij plechtig zult beloven, of uw vrijwillige gaven+ of de bijdrage van uw hand.+ 18  Maar voor het aangezicht van Jehovah, uw God, zult gij het eten, op de plaats die Jehovah, uw God, zal uitkiezen,+ gij en uw zoon en uw dochter en uw slaaf en uw slavin en de leviet die binnen uw poorten is; en gij moet u verheugen+ voor het aangezicht van Jehovah, uw God, over alles wat gij onderneemt. 19  Neem u in acht dat gij de leviet niet aan zijn lot overlaat,+ al uw dagen [dat gij verblijft] op uw bodem. 20  Wanneer Jehovah, uw God, uw gebied* zal uitbreiden,+ juist zoals hij u heeft beloofd,+ en gij stellig zult zeggen: ’Laat mij vlees eten’, omdat uw ziel er hevig naar verlangt vlees te eten, moogt gij wanneer uw ziel er hevig naar verlangt, vlees eten.+ 21  Ingeval de plaats die Jehovah, uw God, zal uitkiezen om er zijn naam te vestigen,+ ver van u verwijderd is, dan moet gij van uw rundvee of van uw kleinvee dat Jehovah u gegeven heeft, slachten juist zoals ik u geboden heb, en gij moet binnen uw poorten eten wanneer uw ziel er hevig naar verlangt.+ 22  Slechts op de wijze waarop de gazelle en het hert gegeten mogen worden,+ zo moogt gij ervan eten: de onreine+ en de reine samen mogen ervan eten. 23  Wees alleen vastbesloten het bloed niet te eten,+ want het bloed is de ziel+ en gij moogt niet de ziel met het vlees eten. 24  Gij moogt het niet eten. Gij dient het als water op de aarde uit te gieten.+ 25  Gij moogt het niet eten, opdat het u en uw zonen na u goed moge gaan,+ omdat gij zult doen wat recht is in Jehovah’s ogen.+ 26  Louter uw heilige dingen,+ die van u zullen worden, en uw gelofteoffers+ dient gij mee te nemen, en gij moet komen naar de plaats die Jehovah zal uitkiezen.+ 27  En gij moet uw brandoffers,+ het vlees en het bloed,+ opdragen op het altaar van Jehovah, uw God; en het bloed van uw slachtoffers dient tegen het altaar van Jehovah, uw God, te worden uitgegoten,+ maar het vlees moogt gij eten. 28  Wees op uw hoede, en gij moet al deze woorden die ik u gebied, gehoorzamen,+ opdat het u en uw zonen na u tot onbepaalde tijd goed moge gaan,+ omdat gij zult doen wat goed en recht is in de ogen van Jehovah, uw God.+ 29  Wanneer Jehovah, uw God, de natiën waarheen gij gaat om ze uit hun bezit te verdrijven, van voor uw aangezicht zal afsnijden,+ moet gij ze ook uit hun bezit verdrijven en in hun land wonen.+ 30  Neem u in acht dat gij u er niet toe laat verstrikken hen te volgen,+ nadat ze van voor uw aangezicht zijn verdelgd, en dat gij niet naar hun goden informeert, door te zeggen: ’Hoe dienden* deze natiën hun goden altijd? En ik, ja, ik zal het stellig ook zo doen.’ 31  Zo moogt gij niet doen ten aanzien van Jehovah, uw God,+ want al wat Jehovah verfoeilijk is, wat hij werkelijk haat, hebben zij voor hun goden gedaan, want zelfs hun zonen en hun dochters verbranden zij geregeld voor hun goden in het vuur.*+ 32  Elk woord dat ik U gebied, dient GIJ zorgvuldig te volbrengen.+ GIJ moogt er niets aan toevoegen, noch er iets van afnemen.+

Voetnoten

Of: „hun Asjera’s.”
Of: „vestigen, tot zijn verblijf.”
Of: „over al het gewin van uw hand.”
„Poorten”, MSamLXX; SyVg: „steden.”
„Al uw poorten”, MSam; LXX: „elke stad”; SyVg: „(al) uw steden.”
Of: „grens.”
Of: „aanbaden.” Zie 4:19 vtn.
MLXX laten hier hfdst. 12 eindigen.