Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Deuteronomium 11:1-32

11  En gij moet Jehovah, uw God, liefhebben+ en te allen tijde uw plicht jegens hem en zijn inzettingen en zijn rechterlijke beslissingen+ en zijn geboden in acht nemen.  En GIJ zijt heden zeer goed op de hoogte (want [ik richt mij] niet tot UW zonen, die het strenge onderricht van Jehovah,+ UW God, zijn grootheid,+ zijn sterke hand+ en zijn uitgestrekte arm+ niet gekend en niet gezien hebben,  noch zijn tekenen en zijn daden die hij midden in Egy̱pte heeft gedaan,+ aan Farao, de koning van Egy̱pte, en aan heel zijn land;  noch wat hij met de strijdkrachten van Egy̱pte, zijn paarden en zijn strijdwagens heeft gedaan, over wier aangezicht hij de wateren van de Rode Zee heen deed stromen toen zij hen najoegen,+ en waarop Jehovah hen heeft verdelgd tot op deze dag;+  noch wat hij voor U in de wildernis heeft gedaan, totdat GIJ op deze plaats zijt gekomen;  noch wat hij met Da̱than en Abi̱ram+ heeft gedaan, de zonen van Eli̱ab, de zoon van Ru̱ben, toen de aarde haar mond opende en vervolgens hen en hun huisgezinnen en hun tenten en al het bestaande dat hen op de voet volgde, te midden van heel I̱sraël verzwolg+);  want GIJ hebt met UW eigen ogen alle grote daden van Jehovah die hij heeft verricht, gezien.+  En GIJ moet heel het gebod dat ik u heden gebied, onderhouden,+ opdat GIJ sterk moogt worden en het land waarheen GIJ overtrekt om het in bezit te nemen, werkelijk moogt binnengaan en in bezit moogt nemen,+  en opdat GIJ UW dagen moogt verlengen+ op de bodem die Jehovah UW voorvaders onder ede beloofd heeft hun en hun zaad te geven,+ een land vloeiende van melk en honing.+ 10  Want het land waarheen gij gaat om het in bezit te nemen, is niet als het land Egy̱pte, waaruit GIJ getrokken zijt, waar gij uw zaad placht te zaaien en het bevloeien met uw voet moest doen,* als een moestuin. 11  Maar het land waarheen GIJ overtrekt om het in bezit te nemen, is een land van bergen en valleivlakten.+ Van de regen des hemels drinkt het water; 12  een land waar Jehovah, uw God, zorg voor draagt. De ogen+ van Jehovah, uw God, zijn er voortdurend op gericht, van het begin van het jaar tot het eind van het jaar. 13  En het moet geschieden dat indien GIJ zonder mankeren mijn geboden zult gehoorzamen+ die ik U heden gebied, door Jehovah, UW God, lief te hebben en hem met geheel UW hart en geheel UW ziel te dienen,+ 14  dan zal ik* stellig regen voor UW land geven op zijn bestemde tijd,+ herfstregen en lenteregen,*+ en gij zult inderdaad uw koren en uw zoete wijn en uw olie inzamelen. 15  En ik zal stellig plantengroei op uw veld geven voor uw huisdieren,+ en gij zult werkelijk eten en verzadigd worden.+ 16  Neemt U in acht dat UW hart zich niet laat verlokken+ en GIJ werkelijk afwijkt en andere goden aanbidt en U voor ze neerbuigt,+ 17  en Jehovah’s toorn waarlijk tegen U ontbrandt en hij werkelijk de hemel sluit, zodat er geen regen zal komen+ en de bodem zijn opbrengst niet zal geven en GIJ weldra moet vergaan uit het goede land dat Jehovah U geeft.+ 18  En GIJ moet deze woorden van mij op UW hart+ en UW ziel leggen en ze als een teken op UW hand binden, en ze moeten tot een voorhoofdsband tussen UW ogen dienen.+ 19  Ook moet GIJ ze UW zonen leren, door erover te spreken wanneer gij in uw huis zit en wanneer gij op de weg gaat en wanneer gij neerligt en wanneer gij opstaat.+ 20  En gij moet ze op de deurposten van uw huis en op uw poorten schrijven,+ 21  opdat UW dagen en de dagen van UW zonen vele mogen zijn+ op de bodem die Jehovah UW voorvaders onder ede beloofd heeft hun te geven,+ als de dagen van de hemel over de aarde.+ 22  Want indien GIJ heel dit gebod dat ik U gebied om het te volbrengen, nauwgezet onderhoudt,+ door Jehovah, UW God, lief te hebben,+ al zijn wegen te bewandelen+ en hem aan te hangen,+ 23  dan moet Jehovah al deze natiën ter wille van U verdrijven,+ en GIJ zult stellig natiën, groter en talrijker dan GIJ, uit hun bezit verdrijven.+ 24  Elke plaats die UW voetzool zal betreden, zal de UWE worden.+ Van de wildernis tot* de Li̱banon, van de Rivier, de rivier de E̱u̱fraat, tot de westelijke* zee zal UW grens zich uitstrekken.+ 25  Niemand zal zich krachtig tegen U staande kunnen houden.+ De angst voor U en de vrees voor U zal Jehovah, UW God, leggen op de oppervlakte van heel het land+ dat GIJ zult betreden, juist zoals hij U beloofd heeft. 26  Ziet, ik leg U heden zegen en vervloeking voor:+ 27  de zegen, mits GIJ de geboden van Jehovah, UW God, die ik U heden gebied, zult gehoorzamen;+ 28  en de vervloeking,+ indien GIJ de geboden van Jehovah, UW God, niet zult gehoorzamen+ en GIJ werkelijk afwijkt van de weg waaromtrent ik U heden gebied, door andere goden achterna te lopen, die GIJ niet hebt gekend. 29  En het moet geschieden dat wanneer Jehovah, uw God, u brengt in het land waarheen gij gaat om het in bezit te nemen,+ dan moet gij de zegen geven* op de berg Ge̱rizim+ en de vervloeking op de berg E̱bal.+ 30  Liggen ze niet aan de zijde van de Jorda̱a̱n in de richting van de ondergang der zon, in het land van de Kanaänieten die in de Ara̱ba+ wonen, tegenover Gi̱lgal,+ naast de grote bomen van Mo̱ré?*+ 31  Want GIJ trekt de Jorda̱a̱n over om het land binnen te gaan en in bezit te nemen dat Jehovah, UW God, U geeft, en GIJ moet het in bezit nemen en daarin wonen.+ 32  En GIJ moet ervoor zorgen alle voorschriften en de rechterlijke beslissingen+ die ik U heden voorleg, te volbrengen.+

Voetnoten

Of: „het moest drenken met uw voet”, d.w.z. hetzij door het treden van een water- of scheprad, of door het openen en sluiten van watergreppels met de voet.
„Ik”, MSy; SamLXXVgc: „hij.”
Lett.: „vroege (eerste) regen en laatste regen.”
„Tot.” Lett.: „en”, MSamLXXSyVg.
Lett.: „achterste”, d.w.z. achter iemand als hij naar het oosten gekeerd staat.
Of: „uitspreken.”
Sam voegt toe: „tegenover Sichem.”