Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Online Bijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Mattheüs 27:1-66

27  Toen het ochtend was geworden, hielden alle overpriesters en de oudere mannen van het volk raad tegen Jezus om hem ter dood te brengen.+  En na hem te hebben geboeid, voerden zij hem weg en leverden hem over aan de stadhouder Pila̱tus.+  Toen nu Ju̱das, die hem had verraden, zag dat hij veroordeeld was, kreeg hij wroeging en bracht de dertig+ zilverstukken bij de overpriesters en oudere mannen terug  en zei: „Ik heb gezondigd toen ik rechtvaardig bloed+ verried.” Zij zeiden: „Wat gaat ons dat aan? Dat is uw zaak!”+  Toen gooide hij de zilverstukken in de tempel* en trok zich terug, en hij ging heen en hing zich op.+  De overpriesters echter namen de zilverstukken en zeiden: „Het is niet geoorloofd ze in de heilige schatkist te werpen, want het is een bloedprijs.”  Na met elkaar raad te hebben gehouden, kochten zij er het veld van de pottenbakker mee om daar vreemden te begraven.  Daarom wordt dat veld tot op de dag van vandaag „Bloedveld”+ genoemd.  Toen werd vervuld hetgeen door bemiddeling van de profeet Jeremi̱a* was gesproken, die zei: „En zij namen* de dertig zilverstukken,+ de prijs van de man voor wie een prijs werd vastgesteld, degene voor wie enkelen van de zonen van I̱sraël een prijs hadden vastgesteld, 10  en gaven* die voor het veld van de pottenbakker,+ zoals Jehovah* mij geboden had.” 11  Jezus stond nu voor de stadhouder, en de stadhouder stelde hem de vraag: „Zijt gij de koning der joden?”+ Jezus antwoordde: „Gijzelf zegt [het].”+ 12  Maar toen hij door de overpriesters en oudere mannen werd beschuldigd,+ gaf hij geen enkel antwoord.+ 13  Toen zei Pila̱tus tot hem: „Hoort gij niet hoeveel dingen zij tegen u getuigen?”+ 14  Maar hij antwoordde hem niet, met geen enkel woord, zodat de stadhouder zich zeer verwonderde.+ 15  Nu was het van feest tot feest de gewoonte dat de stadhouder voor de schare een gevangene, degene die zij wilden, vrijliet.+ 16  Juist op dat ogenblik hadden zij een beruchte gevangene, die Bara̱bbas heette.+ 17  Toen zij daarom bijeen waren, zei Pila̱tus tot hen: „Wie wilt GIJ dat ik U vrijlaat, Bara̱bbas of Jezus, die Christus wordt genoemd?”+ 18  Hij wist namelijk dat zij hem uit afgunst+ hadden overgeleverd.+ 19  Terwijl hij op de rechterstoel gezeten was, liet zijn vrouw hem bovendien zeggen: „Heb niets te maken met die rechtvaardige+ man,* want ik heb heden in een droom+ veel om hem geleden.” 20  Maar de overpriesters en de oudere mannen overreedden de scharen dat zij om Bara̱bbas zouden vragen,+ doch Jezus zouden laten ombrengen. 21  Nu nam de stadhouder weer het woord en zei tot hen: „Wie van de twee wilt GIJ dat ik U vrijlaat?” Zij zeiden: „Bara̱bbas.”+ 22  Pila̱tus zei tot hen: „Wat zal ik dan doen met Jezus, die Christus wordt genoemd?” Zij zeiden allen: „Aan de paal* met hem!”+ 23  Hij zei: „Wat voor slechts heeft hij dan gedaan?” Maar zij bleven des te meer schreeuwen: „Aan de paal met hem!”+ 24  Toen Pila̱tus zag dat het niets hielp, maar dat er veeleer een opschudding ontstond, nam hij water+ en waste ten aanschouwen van de schare zijn handen en zei: „Ik ben onschuldig aan het bloed van deze [man].* GIJ moet er zelf maar zorg voor dragen.” 25  Daarop gaf het gehele volk ten antwoord: „Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.”+ 26  Toen liet hij hun Bara̱bbas vrij, maar Jezus liet hij zweepslagen geven+ en leverde hem over om aan een paal gehangen te worden.+ 27  Toen namen de soldaten van de stadhouder Jezus mee in het paleis van de stadhouder en verzamelden de hele troepenafdeling om hem heen.+ 28  En na hem zijn kleren uitgetrokken te hebben, hingen zij hem een scharlaken mantel om,+ 29  en zij vlochten een kroon van doorns en zetten die op zijn hoofd en [gaven hem] een rietstok in zijn rechterhand. Toen knielden zij voor hem neer en dreven de spot+ met hem, terwijl zij zeiden: „Goedendag, gij koning der joden!”+ 30  En zij spuwden+ op hem en namen de rietstok en gingen hem ermee op zijn hoofd slaan. 31  Nadat zij de spot met hem hadden gedreven,+ ontdeden zij hem ten slotte van de mantel en deden hem zijn bovenklederen aan en voerden hem weg om aan een paal gehangen te worden.+ 32  Toen zij naar buiten gingen, troffen zij een ingeborene van Cyre̱ne aan, Si̱mon genaamd.+ Deze presten zij om zijn martelpaal op te nemen. 33  En gekomen op een plaats die Golgotha* wordt genoemd,+ dat wil zeggen Schedelplaats,* 34  gaven zij hem wijn vermengd met gal+ te drinken; maar toen hij ervan had geproefd, weigerde hij te drinken.+ 35  Nadat zij hem aan een paal hadden gehangen,+ verdeelden zij zijn bovenklederen+ door het lot te werpen,+ 36  en daar neergezeten, hielden zij de wacht bij hem. 37  Ook brachten zij boven zijn hoofd in geschrifte de tegen hem ingebrachte beschuldiging aan: „Dit is Jezus, de koning der joden.”+ 38  Toen werden er met hem twee rovers aan palen gehangen, één aan zijn rechter- en één aan zijn linkerzijde.+ 39  De voorbijgangers nu gingen schimpend+ over hem spreken, terwijl zij hun hoofd schudden+ 40  en zeiden: „Gij daar, die de tempel zou afbreken+ en in drie dagen zou opbouwen, red uzelf! Indien gij een zoon van God zijt, kom dan van de martelpaal af!”+ 41  Evenzo gingen ook de overpriesters met de schriftgeleerden en oudere mannen de spot met hem drijven en zeiden:+ 42  „Anderen heeft hij gered, zichzelf kan hij niet redden! Hij is koning+ van I̱sraël; laat hem nu van de martelpaal afkomen, dan zullen wij in hem geloven.+ 43  Hij heeft zijn vertrouwen op God gesteld; laat Hij hem nu verlossen+ indien Hij hem [hebben] wil, want hij heeft gezegd: ’Ik ben Gods Zoon.’”+ 44  Zelfs de rovers die samen met hem aan palen waren gehangen, gingen hem op dezelfde wijze smaden.+ 45  Vanaf het zesde uur* viel er een duisternis+ over het gehele land, tot aan het negende uur* toe.+ 46  Omstreeks het negende uur riep Jezus met een luide stem en zei: „Eli, Eli, lama sabachthani?”,* dat wil zeggen: „Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?”+ 47  Toen sommigen van hen die daar stonden, dit hoorden, zeiden zij voorts: „Deze man roept Eli̱a.”+ 48  En onmiddellijk snelde een van hen weg en nam een spons en drenkte die met zure+ wijn en stak ze op een rietstok en gaf hem toen te drinken.+ 49  Maar de overigen van hen zeiden: „Laat [hem] begaan! Laten wij eens zien of Eli̱a hem komt redden.”+ [[Een andere man nam een speer en doorstak zijn zijde, en er kwam bloed en water uit.+*]] 50  Nogmaals riep Jezus met een luide stem en gaf de geest.*+ 51  En zie! het gordijn+ van het heiligdom scheurde van boven tot onder in tweeën,+ en de aarde beefde, en de rotsen spleten vaneen.+ 52  En de herinneringsgraven werden geopend en vele lichamen van de heiligen die ontslapen waren, werden opgericht 53  (en personen* die nadat hij was opgewekt, uit het midden der herinneringsgraven vandaan kwamen, gingen de heilige stad+ binnen), en ze werden voor vele mensen zichtbaar. 54  De legeroverste* echter en zij die met hem bij Jezus de wacht hielden, werden bij het zien van de aardbeving en al wat er gebeurde, zeer bevreesd en zij zeiden: „Waarlijk, dit was Gods Zoon.”*+ 55  Bovendien stonden daar vele vrouwen, die Jezus vanuit Galile̱a hadden vergezeld om hem te dienen,+ op een afstand toe te kijken;+ 56  onder hen bevonden zich Mari̱a Magdale̱na, ook Mari̱a, de moeder van Jako̱bus en Jo̱ses,* en de moeder van de zonen van Zebede̱üs.+ 57  Laat in de middag nu kwam er een rijk man van Arimathe̱a, Jo̱zef genaamd, die zelf ook een discipel van Jezus was geworden.+ 58  Deze ging naar Pila̱tus en vroeg om het lichaam van Jezus.+ Toen gebood Pila̱tus dat het [hem] gegeven zou worden.+ 59  En Jo̱zef nam het lichaam, wikkelde het in rein fijn linnen+ 60  en legde het in zijn nieuwe herinneringsgraf,+ dat hij in de rots had uitgehouwen. En nadat hij een grote steen voor de deuropening van het herinneringsgraf had gerold, ging hij heen.+ 61  Mari̱a Magdale̱na en de andere Mari̱a bleven daar echter en zaten tegenover het graf.+ 62  De volgende dag, dit was na de Voorbereiding,+ kwamen de overpriesters en de Farizeeën gezamenlijk bij Pila̱tus 63  en zeiden: „Heer, het kwam ons in herinnering dat die bedrieger, toen hij nog leefde, heeft gezegd: ’Na drie dagen+ zal ik worden opgewekt.’ 64  Gebied daarom dat het graf tot de derde dag wordt verzekerd, opdat niet soms zijn discipelen komen en hem stelen+ en tot het volk zeggen: ’Hij is uit de doden opgewekt!’, en dit laatste bedrog zal erger zijn dan het eerste.” 65  Pila̱tus zei tot hen: „GIJ hebt een wacht.+ Gaat en verzekert het naar UW beste weten.” 66  Zij dan gingen heen en verzekerden het graf door de steen te verzegelen+ en de wacht erbij te plaatsen.

Voetnoten

Zie 26:61 vtn.
„Jeremia”, אAB; Syh(marge): „Zacharia”; Syp,s laten de naam weg.
„Zij namen”, AB; אSyh,p,s: „ik nam.”
„[Zij] gaven”, AcB*CItVg; אBcWSyh,p,s: „ik gaf.”
Zie App. 1D.
Zie App. 7B.
Zie App. 5C.
Of: „onschuldig aan dit bloed.”
„Golgotha.” Gr. en Lat.: Golʹgo·tha; J17,18(Hebr.): Gol·gol·taʼʹ.
„Schedelplaats.” Gr.: Kraʹni·ou Toʹpos; Lat.: Cal·vaʹri·ae loʹcus; J17(Hebr.): meqōmʹ Goel·goʹleth.
„Zesde uur”, d.w.z. omstreeks 12 uur ’s middags.
„Negende uur”, d.w.z omstreeks 3 uur ’s middags.
„Eli, Eli, lama sabachthani?” Vgl. Ps 22:1 vtn., „Verlaten”.
„Een andere man . . . water uit”, אBC; ADWItVgSyh,p,sArm laten deze zin weg.
Of: „hield op te ademen.” Lett.: „hij liet de geest gaan.” Gr.: a·feʹken to pneuʹma.
Of: „zij”, niet doelend op de „lichamen”.
Lett.: „de centurio”, d.w.z. de bevelhebber over 100 soldaten.
Of: „een zoon van God; een zoon van een god.”
„Joses”, ABCDcSyh,p; אD*WVgSys: „Jozef.”