Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Mattheüs 20:1-34

20  Want het koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mens, een heer des huizes, die er vroeg in de morgen op uitging om werkers voor zijn wijngaard+ te huren.  Toen hij met de werkers was overeengekomen [hun] een denarius* per dag [te betalen],+ zond hij hen uit in zijn wijngaard.  Toen hij er rond het derde uur+ weer op uitging, zag hij anderen werkeloos op de marktplaats staan,+  en tot dezen zei hij: ’Gaat ook GIJ in de wijngaard, en ik zal U geven wat billijk is.’  Zij gingen dus. Rond het zesde+ en het negende uur+ ging hij er nog eens op uit en deed hetzelfde.  Ten slotte ging hij er rond het elfde uur op uit en vond er anderen staan, en hij zei tot hen: ’Waarom staat GIJ hier de hele dag werkeloos?’  Zij zeiden tot hem: ’Omdat niemand ons heeft gehuurd.’ Hij zei tot hen: ’Gaat GIJ eveneens in de wijngaard.’+  Toen het avond+ werd, zei de meester van de wijngaard tot zijn opzichter: ’Roep de werkers en betaal hun hun loon,+ te beginnen met de laatsten en zo tot de eersten.’  Toen de mannen van het elfde uur kwamen, ontvingen zij ieder een denarius. 10  Toen nu de eersten kwamen, maakten zij de gevolgtrekking dat zij meer zouden ontvangen, maar ook zij kregen elk een denarius uitbetaald. 11  Toen zij die ontvingen, gingen zij tegen de heer des huizes+ murmureren 12  en zeiden: ’Deze laatsten hebben één uur gewerkt; toch hebt gij hen gelijkgesteld met ons, die de last van de dag en de brandende hitte hebben gedragen!’ 13  Maar hij gaf een van hen ten antwoord: ’Vriend, ik doe u geen onrecht. Zijt gij niet met mij overeengekomen voor een denarius?+ 14  Neem het uwe en ga heen. Ik wil aan deze laatste hetzelfde geven als aan u.+ 15  Is het mij niet geoorloofd om met mijn eigen dingen te doen wat ik wil? Of is uw oog boos*+ omdat ik goed ben?’+ 16  Aldus zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten.”+ 17  Daar Jezus nu op het punt stond naar Jeru̱zalem op te gaan, nam hij de twaalf discipelen+ apart en zei onderweg tot hen: 18  „Ziet! Wij gaan op naar Jeru̱zalem, en de Zoon des mensen zal aan de overpriesters en schriftgeleerden worden overgeleverd, en zij zullen hem ter dood veroordelen+ 19  en aan [mensen uit] de natiën overleveren ten einde de spot met hem te drijven en hem te geselen en aan een paal* te hangen,+ en op de derde dag zal hij worden opgewekt.”+ 20  Toen kwam de moeder van de zonen van Zebede̱üs+ met haar zonen naar hem toe, bracht hem hulde en vroeg iets van hem.+ 21  Hij zei tot haar: „Wat wilt gij?” Zij zei tot hem: „Zeg dat deze twee zonen van mij in uw koninkrijk de een aan uw rechter- en de ander aan uw linkerhand mogen zitten.”+ 22  Jezus gaf ten antwoord: „Gijlieden weet niet wat GIJ vraagt. Kunt GIJ de beker drinken+ die ik op het punt sta te drinken?” Zij zeiden tot hem: „Ja, dat kunnen wij.” 23  Hij zei tot hen: „Mijn beker zult GIJ inderdaad drinken,+ maar dit zitten aan mijn rechter- en aan mijn linkerhand staat niet aan mij te geven, doch behoort aan hen toe voor wie mijn Vader het heeft bereid.”+ 24  Toen de tien anderen dit hoorden, werden zij verontwaardigd op de twee broers.+ 25  Jezus riep hen echter bij zich en zei: „GIJ weet dat de regeerders der natiën over hen heersen en de groten autoriteit over hen oefenen.+ 26  Zo is het onder U niet;+ maar wie onder U groot wil worden, moet UW dienaar* zijn,+ 27  en wie onder U de eerste wil zijn, moet UW slaaf zijn.+ 28  Evenals de Zoon des mensen niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen*+ en zijn ziel* te geven als een losprijs* in ruil voor velen.”+ 29  Toen zij nu Je̱richo+ uitgingen, volgde een grote schare hem. 30  En zie! er zaten twee blinden langs de weg, die, toen zij hoorden dat Jezus voorbijging, riepen en zeiden: „Heer,* wees ons barmhartig, Zoon van Da̱vid!”+ 31  Maar de schare legde hun bars het zwijgen op; doch zij riepen nog harder en zeiden: „Heer, wees ons barmhartig, Zoon van Da̱vid!”+ 32  Jezus bleef daarom staan, riep hen en zei: „Wat wilt GIJ dat ik voor U doe?” 33  Zij zeiden tot hem: „Heer, laat onze ogen geopend worden.”+ 34  Door medelijden bewogen, raakte Jezus hun ogen aan,+ en onmiddellijk kregen zij het gezichtsvermogen, en zij volgden hem.+

Voetnoten

Een Romeinse zilvermunt die 3,85 g woog.
Of: „afgunstig.”
Zie App. 5C.
Of „dienstknecht.” Gr.: di·aʹko·nos; Lat.: mi·niʹster (van miʹnus, „minder”); J22(Hebr.): mesja·rethʹ.
Of: „om te bedienen.” Gr.: di·a·ko·neʹsai; Lat.: mi·ni·straʹre; J17,18,22(Hebr.): lesja·rethʹ.
Of: „leven.” Gr.: psuʹchen; Lat.: aʹni·mam; J17,18,22(Hebr.): naf·sjōʹ, „zijn leven”.
„Losprijs.” Gr.: luʹtron; Lat.: re·dem·pti·oʹnem; J17,18,22(Hebr.): koʹfer. Vgl. 1Ti 2:6 vtn., „Losprijs”.
„Heer”, P45BCWVg; א: „Jezus”; DSyc laten het weg.