Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Joël 2:1-32

2  „Blaast een hoorn* in Si̱on,+ en heft een strijdkreet aan+ op mijn heilige berg.+ Laten alle bewoners van het land* in beroering komen;+ want de dag van Jehovah komt,+ want hij is nabij!  Het is een dag van duisternis en donkerheid,+ een dag van wolken en dikke donkerheid, gelijk licht van de dageraad uitgespreid over de bergen.+ Er is een talrijk en machtig volk;+ zijns gelijke is niet tot bestaan gebracht sedert het onbepaalde verleden,+ en na hen zal er geen meer zijn tot de jaren van geslacht op geslacht.  Vóór hen heeft een vuur verslonden,+ en achter hen verteert een vlam.+ Gelijk de tuin van E̱den* is het land vóór hen;+ maar achter hen is een verlaten wildernis, en er is ook gebleken dat niets ervan ontkomt.  Hun aanblik is als de aanblik van paarden, en als rijpaarden, zo blijven zij rennen.+  Als met het geluid van wagens op de toppen der bergen blijven zij voorthuppelen,+ als met het geluid van een vlammend vuur dat stoppels verslindt.+ Het is als een machtig volk, in slagorde geschaard.+  Wegens hen zullen volken van pijn ineenkrimpen.+ Wat alle gezichten betreft, ze zullen stellig een gloed [van opwinding] krijgen.+  Als sterke mannen* rennen zij.+ Als krijgslieden beklimmen zij een muur. En zij gaan ieder hun eigen wegen en zij veranderen hun paden niet.+  En zij verdringen elkaar niet. Als een fysiek sterke man* op zijn baan blijven zij gaan; en mochten sommigen zelfs onder de werpsperen vallen, de [anderen] verbreken de baan niet.  De stad stormen zij binnen. Op de muur rennen zij. Op de huizen klimmen zij. Door de vensters gaan zij naar binnen als de dief. 10  Voor hen uit is [het] land in beroering geraakt, [de] hemel heeft geschud. De zon en de maan zelf zijn verduisterd geworden+ en zelfs de sterren hebben hun glans ingetrokken.+ 11  En Jehovah zelf zal stellig voor zijn krijgsmacht+ uit zijn stem laten weerklinken,+ want zijn kamp is zeer talrijk.+ Want hij die zijn woord ten uitvoer brengt, is machtig; want de dag van Jehovah is groot+ en zeer vrees inboezemend, en wie kan zich daaronder staande houden?”+ 12  „En ook nu,” is de uitspraak van Jehovah, „keert tot mij terug met heel UW hart+ en met vasten+ en met geween en met geweeklaag.+ 13  En scheurt UW hart+ en niet UW kleren;+ en keert terug tot Jehovah, UW God, want hij is goedgunstig en barmhartig,+ langzaam tot toorn+ en overvloedig in liefderijke goedheid,*+ en hij zal stellig spijt gevoelen wegens de rampspoed.+ 14  Wie weet of hij zal terugkeren en werkelijk spijt zal gevoelen+ en daarna een zegen zal achterlaten,+ een graanoffer en een drankoffer voor Jehovah, UW God? 15  Blaast een hoorn in Si̱on.+ Heiligt een vastentijd.+ Roept een plechtige vergadering bijeen.+ 16  Vergadert [het] volk. Heiligt* een vergadering.+ Brengt [de] oude mannen bijeen. Vergadert kinderen en degenen die de borsten zuigen.+ Laat [de] bruidegom uitgaan uit zijn binnenkamer en [de] bruid uit haar bruidsvertrek. 17  Dat tussen de voorhal en het altaar+ de priesters, de dienaren van Jehovah, wenen en zeggen: ’Gevoel toch deernis, o Jehovah, met uw volk, en maak uw erfdeel niet tot een smaad,+ zodat natiën over hen heersen. Waarom zou men onder de volken zeggen: „Waar is hun God?”’+ 18  En Jehovah zal voor zijn land ijveren+ en zal zijn volk mededogen betonen.+ 19  En Jehovah zal antwoorden en tot zijn volk zeggen: ’Ziet, ik zend U het koren en de nieuwe wijn en de olie, en gijlieden zult er stellig mee verzadigd worden;+ en ik zal U niet meer tot een smaad onder de natiën maken.+ 20  En de noorderling*+ zal ik ver van U verwijderen, en ik zal hem werkelijk verdrijven naar een waterloos land en een verlaten woestenij, met zijn gezicht naar de oostelijke zee+ en zijn achtergedeelte naar de westelijke zee.*+ En de stank van hem zal stellig opstijgen en de kwalijk riekende geur van hem zal blijven opstijgen;+ want Hij zal werkelijk iets groots verrichten in hetgeen Hij doet.’ 21  Wees niet bevreesd, o grond. Wees blij en verheug u; want Jehovah zal werkelijk iets groots verrichten in hetgeen Hij doet.+ 22  Weest niet bevreesd, GIJ dieren van het open veld,+ want de weidegronden van [de] wildernis zullen stellig groen worden.+ Want de boom zal werkelijk zijn vrucht geven.+ De vijgenboom en de wijnstok moeten hun vitale kracht geven.+ 23  En GIJ, zonen van Si̱on, weest blij en verheugt U in Jehovah, UW God;*+ want hij zal U stellig de herfstregen* in juiste mate geven,+ en hij zal op ulieden een stortregen doen neerdalen, herfstregen en lenteregen, zoals in het begin.+ 24  En de dorsvloeren moeten vol [gezuiverd] koren zijn, en de perskuipen moeten overvloeien van nieuwe wijn en olie.+ 25  En ik wil U de jaren vergoeden die de sprinkhaan, de kruipende, ongevleugelde sprinkhaan en de kakkerlak en de rups hebben opgegeten, mijn grote krijgsmacht die ik onder U heb gezonden.+ 26  En GIJ zult stellig eten, eten en verzadigd worden,+ en GIJ zult zeer zeker de naam van Jehovah, UW God, loven,+ die zo wonderbaar met U heeft gehandeld;+ en mijn volk zal tot onbepaalde tijd niet beschaamd staan.+ 27  En gijlieden zult moeten weten dat ik in het midden van I̱sraël ben,+ en dat ik Jehovah, UW God, ben en er geen ander is.+ En mijn volk zal tot onbepaalde tijd niet beschaamd staan.* 28  En daarna moet het geschieden dat ik mijn geest* zal uitstorten+ op alle soorten van vlees,+ en UW zonen en UW dochters+ zullen stellig profeteren. Wat UW oude mannen betreft, dromen zullen zij dromen. Wat UW jonge mannen betreft, visioenen zullen zij zien. 29  En zelfs op de dienstknechten en op de dienstmaagden zal ik in die dagen mijn geest uitstorten.+ 30  En ik wil wondertekenen geven in de hemel+ en op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen.+ 31  De zon zelf zal in duisternis worden veranderd+ en de maan in bloed,+ vóór de komst van de grote en vrees inboezemende dag van Jehovah.+ 32  En het moet geschieden dat een ieder die de naam van Jehovah aanroept, veilig zal ontkomen;+ want op de berg Si̱on en in Jeru̱zalem zullen de ontkomenen blijken te zijn,+ juist zoals Jehovah heeft gezegd, en onder de overlevenden,* die Jehovah roept.”*+

Voetnoten

Of: „sjofar.” Hebr.: sjō·farʹ.
Of: „de aarde.” Hebr.: ha·ʼaʹrets.
„Gelijk de tuin van Eden.” Hebr.: keghan-ʽEʹdhen; Gr.: hos pa·ra·deiʹsos truʹfes, „Gelijk een paradijs van verrukking”; Syr.: ʼaikh par·dai·saʼ daʽ·den; Lat.: quaʹsi horʹtus vo·lu·ptaʹtis, „Gelijk een tuin van geneugte”.
Of: „Als geweldigen (sterken).” Hebr.: keghib·bō·rimʹ.
„Een fysiek sterke man.” Hebr.: geʹver.
Of: „loyale liefde.” Hebr.: cheʹsedh.
Of: „Beschouwt als heilig; Behandelt als heilig.” Hebr.: qad·desjoeʹ; Gr.: ha·gi·aʹsa·te; Lat.: sanc·ti·fi·caʹte.
Mogelijk: „sjirper”, door een correctie.
Lett.: „achterste”, d.w.z. achter iemand als hij naar het oosten gekeerd staat.
„Uw God.” Hebr.: ʼElo·hē·khemʹ.
„Herfstregen”, door een correctie; M: „onderwijzer.”
MLXX laten hier hfdst. 2 eindigen; in TLXXBagsterSyVg loopt hfdst. 2 door tot en met vs. 32 (3:5 in M).
„Mijn geest.” Hebr.: roe·chiʹ; Gr.: pneuʹma·tos; Lat.: spiʹri·tum.
„Onder de overlevenden”, MVg; Gr.: eu·ag·ge·li·zoʹme·noi (spreek uit: ui·an·ge·li·dzoʹme·noi), „degenen die goed nieuws vertellen (het evangelie verkondigen)”.
In MLXX eindigt hier hfdst. 3, in TLXXBagsterSyVg hfdst. 2.