Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Ezechiël 5:1-17

5  En wat u betreft, o mensenzoon, neem u een scherp zwaard. Als een barbiersscheermes zult gij het u nemen, en gij moet het over uw hoofd en over uw baard laten gaan,+ en gij moet u een weegschaal nemen en [het haar*] in parten delen.  Een derde deel zult gij verbranden, ja, in het vuur midden in de stad zodra de dagen van de belegering ten volle verstreken zijn.+ En gij moet een ander derde deel nemen. Gij zult [het] rondom haar met het zwaard slaan,+ en het [laatste] derde deel zult gij in de wind* verstrooien, en een zwaard zal ik achter hen trekken.+  En gij moet daarvan weinige in getal nemen en ze in uw slippen wikkelen.+  En andere ervan zult gij nemen en gij moet ze midden in het vuur werpen en ze in het vuur tot as verbranden. Van één* zal een vuur uitgaan naar het gehele huis van I̱sraël.+  Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’Dit is Jeru̱zalem. Te midden van de natiën heb ik haar gesteld, met landen rondom haar.  En ze ging zich weerspannig gedragen tegen mijn rechterlijke beslissingen, in goddeloosheid meer dan de natiën,+ en tegen mijn inzettingen meer dan de landen die rondom haar zijn, want mijn rechterlijke beslissingen hebben zij verworpen en, wat mijn inzettingen betreft, zij hebben er niet in gewandeld.’+  Daarom, dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’Omdat gijlieden onstuimiger* waart+ dan de natiën die rondom U zijn — in mijn inzettingen hebt GIJ niet gewandeld en mijn rechterlijke beslissingen hebt GIJ niet volbracht;+ maar naar de rechterlijke beslissingen van de natiën die rondom U zijn, hebt GIJ gehandeld, niet waar?+  daarom, dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: „Zie, ik ben tegen u,* [o stad,] ja ik,+ en ik wil in uw midden rechterlijke beslissingen voltrekken voor de ogen van de natiën.+  En ik wil in u doen wat ik niet gedaan heb en wat ik niet meer zo zal doen wegens al uw verfoeilijkheden.+ 10  Daarom zullen vaders zelfs zonen eten in uw midden,+ en zonen zullen zelfs hun vaders eten, en ik wil aan u strafgerichten voltrekken en al wat er van u overblijft, naar elke wind* verstrooien.”’+ 11  ’Daarom, zo waar ik leef,’ is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah, ’voorzeker, omdat het mijn heiligdom was dat gij verontreinigd hebt met al uw walgelijkheden+ en met al uw verfoeilijkheden,+ ben ikzelf ook Degene die [u] zal verminderen,+ en mijn oog zal geen leed gevoelen+ en ikzelf zal ook stellig geen mededogen tonen.+ 12  Een derde deel van u — door de pestilentie zullen zij sterven,+ en door hongersnood zullen zij aan hun eind komen te midden van u.+ En nog een derde deel — door het zwaard zullen zij rondom u vallen. En het [laatste] derde deel zal ik zelfs naar elke wind verstrooien,+ en een zwaard zal ik achter hen trekken.+ 13  En mijn toorn zal stellig tot voltooiing komen+ en ik wil mijn woede op hen koelen+ en mijzelf troosten;+ en zij zullen moeten weten dat ikzelf, Jehovah, heb gesproken in mijn staan op exclusieve toewijding,+ wanneer ik mijn woede tot voltooiing doe komen over hen. 14  En ik zal u* maken tot een verwoeste plaats en een smaad onder de natiën die rondom u zijn, voor de ogen van elke voorbijganger.+ 15  En gij moet een smaad worden+ en een voorwerp van schimpwoorden,+ een waarschuwend voorbeeld+ en een afgrijzen voor de natiën die rondom u zijn, wanneer ik aan u strafgerichten voltrek in toorn en in woede en in woedende terechtwijzingen.+ Ikzelf, Jehovah, heb gesproken. 16  Wanneer ik de schadelijke pijlen van de hongersnood op hen afzend,+ die ten verderve moeten blijken te zijn, [pijlen] die ik zal zenden om ulieden te verderven,+ zal ik zelfs de hongersnood over ulieden vermeerderen, en ik wil UW staven waaromheen ringvormige broden gestoken zijn,* verbreken.+ 17  En ik wil op ulieden afzenden hongersnood en schadelijke wilde dieren,+ en ze moeten u van kinderen beroven, en ook pestilentie+ en bloed+ zullen onder u rondgaan, en een zwaard zal ik over u brengen.+ Ikzelf, Jehovah, heb gesproken.’”

Voetnoten

Lett.: „ze”, mv.
„In de wind.” Hebr.: la·roeʹach; Gr.: pneuʹma·ti; Lat.: venʹtum. Vgl. Ge 1:2 vtn., „Kracht”.
„Eén”, in het Hebr. mnl.
„Weerspanniger”, door een correctie.
„U”, in het Hebr. vr. enk., doelend op de stad Jeruzalem, eveneens vr. enk.
„Wind.” Hebr.: roeʹach; Gr.: aʹne·mon; Lat.: venʹtum. D.w.z. elke richting waarheen de wind waait.
Zie vs. 8 vtn.
Lett.: „broodstaf.”