Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Ezechiël 35:1-15

35  En het woord van Jehovah bleef tot mij komen, en luidde:  „Mensenzoon, richt uw aangezicht+ tegen het bergland Se̱ïr+ en profeteer ertegen.+  En gij moet ertegen zeggen: ’Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: „Zie, ik ben tegen u, o bergland Se̱ïr,+ en ik wil mijn hand tegen u uitstrekken+ en u tot een verlaten woestenij maken, ja, tot een verwoesting.+  Uw steden zal ik tot een verwoeste plaats maken en gijzelf zult niets dan een verlaten woestenij worden;+ en gij zult moeten weten dat ik Jehovah ben,+  omdat gij een voor onbepaalde tijd durende vijandschap bleekt te hebben+ en de zonen van I̱sraël bleeft overleveren aan de macht* van het zwaard,+ ten tijde van hun ongeluk,+ ten tijde van [hun] einddwaling.”’*+  ’Daarom, zo waar ik leef,’ is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah, ’omdat ik u voor bloed gereedmaakte, zal bloed u ook achtervolgen.+ Voorzeker, het was bloed dat gij hebt gehaat, en bloed zal* u achtervolgen.+  En ik zal het bergland Se̱ïr stellig tot een verlaten woestenij maken, ja, tot een verwoesting,+ en ik wil degene die erdoorheen trekt en degene die terugkeert, eruit afsnijden.+  En ik wil zijn bergen vullen met zijn verslagenen; wat uw heuvels en uw dalen en al uw stroombeddingen betreft, ja, de door [het] zwaard verslagenen zullen erin vallen.+  Tot voor onbepaalde tijd blijvende verlaten woestenijen zal ik u maken, en uw eigen steden zullen niet bewoond worden;+ en gijlieden zult moeten weten dat ik Jehovah ben.’+ 10  Omdat gij gezegd hebt: ’Deze twee natiën en deze twee landen — ze zullen van míȷ́ worden, en wij zullen stellig elk [land] in bezit nemen’,+ terwijl Jehovah zelf zich juist daar bevond,+ 11  ’daarom, zo waar ik leef,’ is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah, ’wil ik ook handelen overeenkomstig uw toorn en overeenkomstig uw jaloezie die gij hebt geuit wegens uw haatgevoelens jegens hen;+ en ik wil mijzelf onder hen* doen kennen wanneer ik u oordeel.+ 12  En gij zult moeten weten dat ikzelf, Jehovah, al uw minachtende dingen heb gehoord die gij betreffende de bergen van I̱sraël hebt gesproken,+ door te zeggen: „Ze zijn* woest gelegd. Ons zijn ze tot voedsel gegeven.”+ 13  En gijlieden bleeft U groot tegen mij maken met UW mond,*+ en GIJ hebt UW woorden tegen mij vermenigvuldigd.+ Ikzelf heb [ze] gehoord.’+ 14  Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’Terzelfder tijd dat de gehele aarde zich verheugt, zal ik een verlaten woestenij van u maken. 15  Net zoals er van uw zijde verheuging was over het erfdeel van het huis van I̱sraël, omdat het woest gelegd werd, zal ik hetzelfde van u maken.+ Een verlaten woestenij zult gij worden, o bergland Se̱ïr, ja, heel E̱dom, in zijn geheel;+ en zij zullen moeten weten dat ik Jehovah ben.’”+

Voetnoten

Lett.: „handen.”
Lett.: „in de tijd van de dwaling van [het] einde.”
Of: „Daar gij bloed niet gehaat hebt, zal ook bloed.”
„Onder hen”, MTSyVg; LXX: „aan u.”
„Ze zijn”, Mmarge; MT: „Ze is.”
Of: „gijlieden zet een grote mond tegen mij op.”