Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Ezechiël 25:1-17

25  En het woord van Jehovah kwam verder tot mij, en luidde:  „Mensenzoon, richt uw aangezicht naar de zonen van A̱mmon en profeteer tegen hen.+  En gij moet betreffende de zonen van A̱mmon zeggen: ’Hoort het woord van de Soevereine Heer Jehovah. Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: „Omdat gij* Ha! hebt gezegd tegen mijn heiligdom, omdat het ontwijd is, en tegen I̱sraëls bodem, omdat die woest gelegd is, en tegen het huis van Ju̱da, omdat zij in ballingschap zijn gegaan,+  daarom, zie, geef ik u aan de oosterlingen* tot een bezitting,+ en zij zullen hun ommuurde kampementen in u opslaan en zullen stellig hun verblijfplaatsen in u zetten. Zijzelf zullen uw vrucht eten en zijzelf zullen uw melk drinken.+  En ik wil Ra̱bba+ maken tot een weidegrond voor kamelen en de zonen van A̱mmon tot een rustplaats voor kleinvee;+ en gijlieden zult moeten weten dat ik Jehovah ben.”’”+  „Want dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’Omdat gij* in de handen hebt geklapt+ en gij met de voeten hebt gestampt en gij u met alle verachting van uw zijde in [uw] ziel bleeft verheugen over I̱sraëls bodem,+  daarom, hier ben ik; ik heb mijn hand tegen u uitgestrekt+ en ik wil u tot plundering aan de natiën geven; en ik wil u afsnijden uit de volken en u vernietigen uit de landen.+ Ik zal u verdelgen,+ en gij zult moeten weten dat ik Jehovah ben.’  Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’Omdat Mo̱ab+ en Se̱ïr+ hebben gezegd: „Zie! Het huis van Ju̱da is als alle andere natiën”,+  daarom, zie, leg ik de berghelling van Mo̱ab open bij de steden, bij zijn steden tot aan zijn grens, het sieraad van [het] land, Beth-Je̱simoth,+ Ba̱äl-Me̱on,+ ja, tot aan Kirjatha̱ïm,+ 10  voor de oosterlingen,*+ naast de zonen van A̱mmon;+ en ik wil het tot een bezitting maken, opdat er niet meer aan gedacht wordt,+ [dat wil zeggen] aan de zonen van A̱mmon, onder de natiën. 11  En aan Mo̱ab zal ik strafgerichten voltrekken;+ en zij zullen moeten weten dat ik Jehovah ben.’+ 12  Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’Omdat E̱dom gehandeld heeft door wraak te nemen op het huis van Ju̱da en zij op grote schaal kwaad bleven doen en zich op hen hebben gewroken,+ 13  daarom, dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: „Ik wil ook mijn hand uitstrekken tegen E̱dom+ en er mens* en huisdier uit afsnijden,+ en ik wil het tot een verwoeste plaats maken vanaf Te̱man,+ ja, tot aan De̱dan+ toe. Door het zwaard zullen zij vallen. 14  ’En ik wil mijn wraak over E̱dom brengen door de hand van mijn volk I̱sraël;+ en zij moeten in E̱dom handelen overeenkomstig mijn toorn en overeenkomstig mijn woede; en zij zullen moeten weten wat mijn wraak is’,+ is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah.”’ 15  Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’Omdat de Filistijnen uit wraakzucht hebben gehandeld+ en zij zich uit wraakzucht bleven wreken met verachting in [de] ziel,* ten einde verderf te stichten,+ met een voor onbepaalde tijd durende vijandschap,+ 16  daarom, dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: „Zie, ik strek mijn hand uit tegen de Filistijnen+ en ik wil de Kerethieten* afsnijden+ en de rest van de zeekust verdelgen.+ 17  En ik wil grote wraakoefeningen aan hen voltrekken, met woedende terechtwijzingen;+ en zij zullen moeten weten dat ik Jehovah ben wanneer ik mijn wraak over hen breng.”’”+

Voetnoten

„Gij”, in het Hebr. vr. enk., doelend op het land Ammon.
Lett.: „de zonen van het Oosten.”
„Gij”, in het Hebr. mnl. enk., doelend op Ammon.
Zie vs. 4 vtn.
Of: „aardse mens.” Hebr.: ʼa·dhamʹ.
„In [de] ziel.” Hebr.: beneʹfesj; Gr.: psuʹches; Lat.: aʹni·mo. Zie App. 4A.
„Kretenzers”, LXX.