Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Ezechiël 24:1-27

24  En het woord van Jehovah kwam verder tot mij in het negende jaar, in de tiende maand, op de tiende [dag] van de maand, en luidde:  „Mensenzoon, schrijf voor uzelf de naam van de dag, deze zelfde dag, op. De koning van Ba̱bylon heeft zich op deze zelfde dag op Jeru̱zalem geworpen.+  En stel een spreekwoord samen betreffende het weerspannige huis,+ en gij moet omtrent hen zeggen: ’Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: „Zet de kookpot met wijde opening op; zet [hem] op en giet er ook water in.+  Verzamel er stukken in,+ elk goede stuk, dij en schouder; vul [hem] zelfs met de meest uitgelezen beenderen.  Laat men de meest uitgelezen schapen nemen+ en stapel ook de houtblokken* in een kring eronder op. Laat zijn stukken* zieden, kook ook zijn beenderen ermiddenin.”’”+  „Daarom, dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’Wee de stad van daden van bloedvergieting,*+ de kookpot met wijde opening, waarvan de roest erin is en waarvan zelfs de roest er niet afgegaan is! Stuk voor stuk ervan, haal het eruit;+ geen lot mag erover worden geworpen.+  Want haar bloed, dat bevindt zich er zelfs middenin.+ Op het glanzende, kale oppervlak van een steile rots heeft ze het gedaan. Ze heeft het niet uitgestort op de aarde, om het met stof te bedekken.+  Ten einde woede te doen opkomen voor het voltrekken van wraak,+ heb ik haar bloed op het glanzende, kale oppervlak van een steile rots gedaan, opdat het niet bedekt wordt.’+  Daarom, dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’Wee de stad van daden van bloedvergieting!+ Ook ikzelf zal de houtstapel groot maken.+ 10  Maak de houtblokken talrijk. Ontsteek het vuur. Kook het vlees door en door. En giet het vleesnat eruit,* en laat de beenderen zelf gloeiend heet worden. 11  Zet hem* leeg op zijn kolen opdat hij heet wordt; en zijn koper moet verhit worden en zijn onreinheid moet ermiddenin gesmolten worden.+ Laat zijn roest verteerd worden.+ 12  Moeilijkheden! Het heeft [iemand] moe gemaakt, maar zijn grote hoeveelheid roest gaat er niet af.+ In [het] vuur met zijn roest!’ 13  ’Er was losbandig gedrag in uw* onreinheid.+ Daarom moest ik u reinigen, maar gij werdt niet rein van uw onreinheid.+ Gij zult niet meer rein worden totdat ik mijn woede in uw geval tot bedaren doe komen.+ 14  Ikzelf, Jehovah, heb gesproken.+ Het moet komen+ en ik zal stellig handelen. Ik zal [het] niet nalaten,+ noch zal ik deernis gevoelen,+ noch spijt gevoelen.+ Overeenkomstig uw wegen en overeenkomstig uw handelingen zal men* u stellig richten’,+ is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah.” 15  En het woord van Jehovah bleef tot mij komen, en luidde: 16  „Mensenzoon, zie, ik neem dat wat begeerlijk is+ in uw ogen met een slag van u weg,+ en gij dient u niet op de borst te slaan, noch dient gij te wenen, noch dienen uw tranen te voorschijn te komen.+ 17  Zucht zonder woorden.* Voor de doden dient gij geen rouw te bedrijven.+ Bind u uw hoofdtooi om+ en uw sandalen dient gij aan uw voeten te doen.+ En gij dient [de] snor* niet te bedekken+ en het brood der mensen dient gij niet te eten.”+ 18  En ik sprak voorts tot het volk in de ochtend en mijn vrouw stierf ten slotte in de avond. Dus deed ik in de ochtend juist zoals mij bevolen was. 19  En het volk bleef tot mij zeggen: „Zult gij ons niet vertellen wat deze dingen die gij doet met ons te maken hebben?”+ 20  Toen zei ik tot hen: „Niets minder dan het woord van Jehovah is tot mij gekomen, en hij heeft gezegd: 21  ’Zeg tot het huis van I̱sraël: „Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’Ziet, ik ontwijd mijn heiligdom,+ de trots van UW sterkte,+ dat wat begeerlijk is in UW ogen+ en het voorwerp van mededogen van UW ziel, en UW zonen en UW dochters die gijlieden hebt achtergelaten — door het zwaard zullen zij vallen.+ 22  En GIJ zult net zo moeten doen als ik heb gedaan. Snorren* zult GIJ niet bedekken+ en het brood der mensen zult GIJ niet eten.+ 23  En UW hoofdtooi zal op UW hoofd zijn en UW sandalen aan UW voeten. GIJ zult UZELF niet slaan, noch zult GIJ wenen,+ en GIJ zult moeten wegrotten in UW dwalingen,+ en GIJ zult werkelijk om elkaar kermen.+ 24  En Eze̱chiël is voor U een voorteken geworden.+ In overeenstemming met alles wat hij heeft gedaan, zult GIJ doen. Wanneer het komt,+ zult GIJ ook moeten weten dat ik de Soevereine Heer Jehovah ben.’”’”+ 25  „En wat u aangaat, o mensenzoon, zal het niet zijn op de dag dat ik van hen hun vesting wegneem, het luisterrijke voorwerp van hun uitbundige vreugde, dat wat begeerlijk is in hun ogen+ en het verlangen van hun ziel, hun zonen en hun dochters,+ dat 26  op die dag de ontkomene tot u zal komen om de oren te doen horen?+ 27  Op die dag zal uw mond geopend worden tegenover de ontkomene+ en gij zult spreken en niet langer stom zijn;+ en gij zult stellig voor hen een voorteken worden,+ en zij zullen moeten weten dat ik Jehovah ben.”+

Voetnoten

Door een correctie; M: „beenderen.”
„Stukken”, twee Hebr. hss.; M: „ziedingen.”
„Daden van bloedvergieting.” Lett.: „bloed” in het mv.
„Giet het vleesnat eruit”, door een correctie; M: „laat men kruiden met de geurige kruiden.”
„Hem”, in het Hebr. vr.
„Uw”, in het Hebr. vr. enk., gericht tot de stad.
Of: „zij”, mv., M; TLXXSyVg: „ik.”
„Zonder woorden.” Lett.: „houd u stil.”
Of: „bovenlip.”
Of: „Bovenlippen.”