Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Ezechiël 22:1-31

22  En het woord van Jehovah bleef tot mij komen, en luidde:  „En wat u aangaat, o mensenzoon, zult gij richten,+ zult gij de stad vol bloedschuld*+ richten en haar stellig al haar verfoeilijkheden bekendmaken?+  En gij moet zeggen: ’Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: „O stad die in haar midden bloed vergiet+ totdat haar tijd komt,+ en die drekgoden in zich heeft gemaakt ten einde onrein te worden,+  door uw bloed dat gij hebt vergoten, zijt gij schuldig geworden,+ en door uw drekgoden die gij hebt gemaakt, zijt gij onrein geworden.+ En gij brengt uw dagen nabij, en gij zult tot uw jaren komen. Daarom moet ik u maken tot een voorwerp van smaad voor de natiën en van beschimping voor alle landen.+  De [landen] dichtbij en die ver weg van u zullen u beschimpen, o gij onreine van naam, rijk aan verwarring.+  Zie! De oversten+ van I̱sraël hebben zich in u bevonden, elkeen [zich verlatend] op zijn arm met het doel bloed te vergieten.+  Vader en moeder hebben zij in u met verachting bejegend.+ Tegenover de inwonende vreemdeling hebben zij afzetterij bedreven in uw midden.+ Vaderloze jongen en weduwe hebben zij slecht behandeld in u.”’”+  „’Mijn heilige plaatsen hebt gij veracht en mijn sabbatten hebt gij ontheiligd.+  Volslagen lasteraars* hebben zich in u bevonden, met het doel bloed te vergieten;+ en op de bergen hebben zij in u gegeten.+ Losbandig gedrag hebben zij in uw midden bedreven.+ 10  De naaktheid van een vader hebben zij in u ontbloot;*+ een vrouw onrein in [haar] menstruatie hebben zij in u vernederd.+ 11  En een man heeft met de vrouw van zijn metgezel iets verfoeilijks gedaan,+ en een man heeft zijn eigen schoondochter door losbandig gedrag verontreinigd;+ en een man heeft zijn zuster, de dochter van zijn eigen vader, in u vernederd.+ 12  Steekpenningen hebben zij in u genomen om bloed te vergieten.+ Rente+ en woeker hebt gij genomen,+ en door afzetterij blijft gij op gewelddadige wijze gewin maken+ ten koste van uw metgezellen,+ en mij zijt gij vergeten’,+ is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah. 13  ’En zie! ik heb in mijn hand geslagen+ wegens uw onrechtvaardige winst die gij hebt gemaakt,+ en om uw daden van bloedvergieting* die in uw midden bleken te zijn.+ 14  Zal uw hart het blijven uithouden+ of zullen uw handen sterkte verschaffen in de dagen dat ik handelend optreed jegens u?+ Ikzelf, Jehovah, heb gesproken en ik zal stellig handelend optreden.+ 15  En ik wil u verstrooien onder de natiën en u verspreiden over de landen,+ en ik wil uw onreinheid* uit u vernietigen.*+ 16  En gij zult stellig in uzelf ontwijd worden voor de ogen van [de] natiën, en gij zult moeten weten dat ik Jehovah ben.’”+ 17  En het woord van Jehovah bleef tot mij komen, en luidde: 18  „Mensenzoon, voor mij zijn degenen van het huis van I̱sraël geworden als schuimslakken.+ Zij allen zijn koper en tin en ijzer en lood midden in een smeltoven. Veel schuimslakken, [die van] zilver, zijn zij geworden.+ 19  Daarom, dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’Omdat GIJ allen als veel schuimslakken+ zijt geworden, daarom, ziet, breng ik U in het midden van Jeru̱zalem bijeen.+ 20  Zoals bij het bijeenbrengen van zilver en koper en ijzer+ en lood en tin midden in een smeltoven, ten einde er met vuur op te blazen+ om het te doen smelten,+ zo zal ik [hen] bijeenbrengen in mijn toorn en in mijn woede, en ik zal stellig blazen* en ulieden doen smelten. 21  En ik wil U bijeenbrengen en op U blazen met het vuur van mijn verbolgenheid,+ en GIJ moet in haar* midden gesmolten worden.+ 22  Zoals bij het smelten van zilver midden in een smeltoven, zo zult gijlieden in haar midden gesmolten worden; en GIJ zult moeten weten dat ikzelf, Jehovah, mijn woede over U heb uitgestort.’”+ 23  En het woord van Jehovah kwam verder tot mij, en luidde: 24  „Mensenzoon, zeg tot haar: ’Gij zijt een land dat niet wordt gereinigd, een [land] waarop geen regen valt op de dag van de openlijke veroordeling.+ 25  Er is een samenzwering van haar profeten in haar midden,+ gelijk de brullende leeuw die prooi verscheurt.+ Een ziel verslinden zij werkelijk.+ Schatten en kostbare dingen blijven zij nemen.+ Haar weduwen hebben zij in haar midden vermenigvuldigd.+ 26  Haar priesters zelf hebben mijn wet geweld aangedaan+ en zij blijven mijn heilige plaatsen ontwijden.+ Tussen het heilige en het gewone*+ hebben zij geen onderscheid gemaakt,+ en tussen het onreine en het reine hebben zij geen [verschil] bekendgemaakt,+ en voor mijn sabbatten hebben zij hun ogen verborgen,+ en ik word in hun midden ontheiligd.+ 27  Haar vorsten in haar midden zijn als wolven die prooi verscheuren, doordat zij bloed vergieten,+ doordat zij zielen* verdelgen om onrechtvaardige winst te maken.+ 28  En haar profeten hebben voor hen met witkalk gepleisterd,+ door een onwerkelijkheid te schouwen+ en een leugen voor hen te waarzeggen,+ door te beweren: „Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd”, terwijl Jehovah zelf niet gesproken heeft. 29  Het volk van het land zelf heeft er een systeem van afzetterij op na gehouden+ en heeft roof gepleegd,+ en de ellendige en de arme hebben zij slecht behandeld,+ en de inwonende vreemdeling hebben zij zonder gerechtigheid te kort gedaan.’+ 30  ’En ik bleef zoeken naar een man* onder hen die de stenen muur zou herstellen+ en zich voor mijn aangezicht ten behoeve van het land op de bres zou stellen,+ opdat [ik] het niet zou verderven;+ en ik vond niemand. 31  Dus zal ik mijn openlijke veroordeling+ over hen uitstorten. Met het vuur van mijn verbolgenheid wil ik hen uitroeien.+ Hun gedrag wil ik op hun eigen hoofd doen neerkomen’,+ is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah.”

Voetnoten

Lett.: „de stad van het bloed [mv.].”
Lett.: „mannen van laster.” Hebr.: ʼan·sjē′ ra·khil′.
Lett.: „heeft men [of: hij] . . . ontbloot.”
Lett.: „uw bloed”, enk., maar onderwerp van een mv. ww.-vorm.
„Uw onreinheid.” Hebr.: toem·ʼa·thekh′; Gr.: a·ka·thar′si·a. Zie 2Kor 12:21 en Ga 5:19 vtnn., „Onreinheid”.
Lett.: „voltooien (doen eindigen).”
„Blazen”, door een correctie; M: „neerleggen”, zonder object.
„Haar”, in het Hebr. vr., doelend op de stad Jeruzalem.
Of: „profane.”
„Zielen.” Hebr.: nefa·sjōth′; Lat.: a′ni·mas. Zie App. 4A.
„Een man.” Hebr.: ʼisj.