Doorgaan naar inhoud

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel | NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT (EDITIE 2004)  Zie herziening van 2017

Ezechiël 21:1-32

21*  En het woord van Jehovah kwam verder tot mij, en luidde:  „Mensenzoon, richt uw aangezicht naar Jeru̱zalem en laat [woorden] druppelen+ tegen de heilige plaatsen,+ en profeteer tegen I̱sraëls bodem.+  En gij moet zeggen tot I̱sraëls bodem: ’Dit heeft Jehovah gezegd: „Zie, ik ben tegen u,+ en ik wil mijn zwaard uit zijn schede trekken+ en rechtvaardige en goddeloze uit u afsnijden.+  Opdat ik inderdaad rechtvaardige en goddeloze uit u moge afsnijden, daarom zal mijn zwaard uit zijn schede te voorschijn komen tegen alle vlees van zuid tot noord.+  En alle vlees zal moeten weten dat ikzelf, Jehovah, mijn zwaard uit zijn schede heb getrokken.+ Het zal niet meer teruggaan.”’+  En wat u aangaat, o mensenzoon, zucht met bevende heupen.*+ Ja, met bitterheid dient gij te zuchten voor hun ogen.+  En het moet geschieden dat ingeval zij tot u zeggen: ’Waarom zucht gij?’,+ gij moet zeggen: ’Om een bericht.’+ Want het zal stellig komen,+ en elk hart moet smelten+ en alle handen moeten slap worden en elke geest moet moedeloos worden en alle knieën zullen zelfs druipen van water.*+ ’Zie! Het zal stellig komen+ en tot stand worden gebracht’, is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah.”  En het woord van Jehovah bleef tot mij komen, en luidde:  „Mensenzoon, profeteer, en gij moet zeggen: ’Dit heeft Jehovah* gezegd: „Zeg: ’Een zwaard, een zwaard!+ Het is gescherpt+ en het is ook gepolijst. 10  Ten einde een slachting te organiseren is het gescherpt; opdat het een glinstering* krijgt is het gepolijst.’”’”+ „Of zullen wij ons uitbundig verheugen?”+ „’Verwerpt het de scepter+ van mijn eigen zoon,+ zoals [het] elke boom [verwerpt]?+ 11  En men geeft het om gepolijst te worden, ten einde [het] te zwaaien met de hand. Het — een zwaard is gescherpt en het — het is gepolijst, ten einde het in de hand te geven van iemand die doodt.+ 12  Schreeuw het uit en jammer,+ o mensenzoon, want het — het is tegen mijn volk gekomen;+ het is tegen alle oversten van I̱sraël.+ Zelfs degenen die voor het zwaard zijn neergeworpen, zijn bij mijn volk aangetroffen.+ Daarom, geef een klap op [de] dij.+ 13  Want er is een verdelging aangericht,+ en wat indien het ook de scepter verwerpt?+ Deze* zal niet blijven bestaan’,+ is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah. 14  En gij, o mensenzoon — profeteer, en sla handpalm tegen handpalm,+ en ’Een zwaard!’ dient driemaal herhaald te worden.+ Het zwaard van de verslagenen is het. Het is het zwaard van een verslagene die groot is, dat om hen heen suist.+ 15  Opdat het hart smelt+ en om degenen te vermenigvuldigen die bij al hun poorten ten val worden gebracht,+ wil ik een slachting aanrichten met het zwaard. Ach, het is gemaakt voor een glinstering,* gepolijst voor een slachting!+ 16  Betoon u scherp;*+ ga naar rechts! Bepaal uw positie; ga naar links! Overal waarheen uw aangezicht gericht is! 17  En ook ikzelf zal mijn ene handpalm tegen mijn andere handpalm slaan,+ en ik wil mijn woede+ tot bedaren brengen.+ Ikzelf, Jehovah, heb gesproken.” 18  En het woord van Jehovah kwam verder tot mij, en luidde: 19  „En wat u aangaat, o mensenzoon, zet u twee wegen uit waarlangs het zwaard van de koning van Ba̱bylon* kan binnenkomen.+ Uit het ene land dienen ze beide uit te gaan, en er dient een hand[wijzer] uitgesneden te worden;+ aan het boveneinde van de weg naar de stad dient hij uitgesneden te worden.* 20  Een weg dient gij uit te zetten waarlangs [het] zwaard kan binnenkomen tegen Ra̱bba+ van de zonen van A̱mmon, en [één] tegen Ju̱da, tegen het versterkte Jeru̱zalem.+ 21  Want de koning van Ba̱bylon stond stil op de tweesprong,* aan het boveneinde van de twee wegen, om zijn toevlucht te nemen tot waarzeggerij.+ Hij heeft de pijlen geschud. Hij heeft gevraagd met behulp van de terafim;*+ hij heeft de lever bezien. 22  In zijn rechterhand bleek de waarzegging voor Jeru̱zalem te zijn, om stormrammen op te stellen,+ om de mond te openen voor een afslachting,* om het geluid te doen horen van een alarmsignaal,+ om stormrammen tegen poorten op te stellen, om een belegeringsdam op te werpen, om een belegeringswal te bouwen.+ 23  En het is voor hen geworden als een onware waarzegging in hun ogen+ — degenen die eden aan hen hebben gezworen;+ en hij brengt dwaling in herinnering,+ opdat [zij] gevangen worden.+ 24  Daarom, dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’Omdat GIJ UW dwaling in herinnering laat roepen, doordat UW overtredingen ontdekt worden, zodat UW zonden gezien worden overeenkomstig al UW handelingen — omdat GIJ in herinnering wordt geroepen,+ zult gijlieden zelfs met de hand worden gegrepen.’+ 25  En wat u betreft, o dodelijk gewonde, goddeloze overste+ van I̱sraël,+ wiens dag gekomen is in de tijd van de dwaling van [het] einde,+ 26  dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: ’Verwijder de tulband en zet af de kroon.+ Deze* zal niet dezelfde* zijn.+ Verhoog zelfs wat laag is+ en verlaag zelfs de hoge.+ 27  Tot een puinhoop, een puinhoop, een puinhoop* zal ik ze* maken.+ Ook wat deze* aangaat, ze zal stellig [van niemand] worden totdat hij komt die het wettelijke recht heeft,+ en ik moet [het*] aan hem geven.’+ 28  En gij, o mensenzoon, profeteer, en gij moet zeggen: ’Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd betreffende de zonen van A̱mmon en betreffende hun gesmaad.’ En gij moet zeggen: ’Een zwaard, een zwaard getrokken voor een slachting, gepolijst om [het] te laten verslinden,* ten einde te glinsteren,+ 29  omdat [zij] voor u* een onwerkelijkheid schouwen, omdat [zij] voor u een leugen waarzeggen,+ ten einde u op de hals van de verslagenen te leggen, de goddelozen wier dag gekomen is in de tijd van de dwaling van [het] einde.+ 30  Steek [het] terug in zijn schede. Op de plaats waar gij werdt geschapen, in het land van uw oorsprong,+ zal ik u richten. 31  En ik wil mijn openlijke veroordeling over u uitstorten. Met het vuur van mijn verbolgenheid zal ik op u blazen,+ en ik wil u in de hand geven van mannen die redeloos zijn, de smeders van verderf.+ 32  Voor het vuur zult gij tot brandstof worden.+ Uw eigen bloed zal zich midden in het land bevinden. Aan u zal niet meer gedacht worden, want ikzelf, Jehovah, heb gesproken.’”+

Voetnoten

In TSyVg begint hfdst. 21 hier.
Lett.: „met verbreking der heupen.”
D.w.z. men laat van angst zijn urine lopen.
Een van de 134 keren dat de soferim JHWH in ʼAdho·naiʹ hebben veranderd. Zie App. 1B.
Lett.: „bliksem.” Hebr.: baʹroq.
Lett.: „Het”, in het Hebr. mnl., doelend op de „scepter”, eveneens mnl., niet op het „zwaard”, vr.
Zie vs. 10 vtn.
„Betoon u scherp”, in het Hebr. vr., gericht tot het „zwaard”.
„Babylon”, LXXVg; MTSy: „Babel.”
„Dient . . . uitgesneden te worden.” In het Hebr. is dit een ww. in de infinitivus absolutus, een vorm waarbij tijd en persoon onbepaald zijn.
Lett.: „[aan] de moeder van de weg.”
„Terafim”, M; LXX: „gesneden beelden”; Vg: „afgoden.”
Of: „strijdkreet”, door verwisseling van letters.
„Deze.” Hebr.: zoʼth, vr.
„Dezelfde.” Lett.: „deze”, in het Hebr. vr.
Of: „een verdraaiing (omkering).”
„Ze”, in het Hebr. vr.
„Deze.” Hebr.: zoʼth, vr.
D.w.z. het rechtmatig toekomende.
Of: „gepolijst voor een verdelging.”
„U”, in het Hebr. vr. enk., kennelijk doelend op Rabba van de Ammonieten.