Toegankelijkheidsinstelling

Search

Taal selecteren

Doorgaan naar secundair menu

Doorgaan naar inhoudsopgave

Doorgaan naar inhoud

Jehovah’s Getuigen

Nederlands

Onlinebijbel

NIEUWE-WERELDVERTALING VAN DE HEILIGE SCHRIFT

Ezechiël 2:1-10

2  Hij dan zei tot mij: „Mensenzoon,*+ ga op uw voeten staan opdat ik met u kan spreken.”+  Toen kwam er geest in mij zodra hij tot mij sprak,+ en deze* deed mij ten slotte op mijn voeten staan opdat ik Degene die tot mij sprak, zou horen.+  En vervolgens zei hij tot mij: „Mensenzoon, ik zend u tot de zonen van I̱sraël,+ tot weerspannige natiën die weerspannig zijn geweest tegen mij.+ Zijzelf en hun voorvaders hebben overtredingen tegen mij begaan tot op deze zelfde dag.+  En de zonen onbeschaamd van gezicht+ en hard van hart+ — ik zend u tot hen, en gij moet tot hen zeggen: ’Dit heeft de Soevereine Heer Jehovah* gezegd.’  En wat hen aangaat, of zij zullen horen+ of [het] zullen laten+ — want zij zijn een weerspannig huis+ — zij zullen stellig ook weten dat een profeet zich in hun midden heeft bevonden.+  En gij, o mensenzoon, wees niet bevreesd voor hen;+ en wees niet bevreesd voor hun woorden, want er zijn verstokten+ en dingen die u steken,+ en onder schorpioenen+ woont gij. Wees niet bevreesd voor hun woorden+ en wees niet met verschrikking geslagen voor hun aangezicht,+ want zij zijn een weerspannig huis.+  En gij moet mijn woorden tot hen spreken, ongeacht of zij horen dan wel [het] laten, want zij zijn een en al weerspannigheid.+  En gij, o mensenzoon, hoor wat ik tot u spreek. Word niet weerspannig gelijk het weerspannige huis.+ Open uw mond en eet wat ik u geef.”+  Toen zag ik, en zie! een hand werd naar mij uitgestoken,+ en zie! daarin was een boekrol.+ 10  En geleidelijk spreidde hij die vóór mij uit, en ze was van voren en van achteren beschreven;+ en er waren klaagliederen op geschreven en gezucht en geweeklaag.+

Voetnoten

„Mensenzoon.” Hebr.: ben-ʼa·dham′; de eerste van de 93 keren dat deze uitdr. in Ezechiël voorkomt. Gr.: hui′e (spreek uit: hu′i·e) an·thro′pou; Lat.: fi′li ho′mi·nis.
„Deze”, in het Hebr. vr., doelend op „geest”, eveneens vr.
„De Soevereine Heer Jehovah.” Hebr.: ʼAdho·nai′ Jeho·wih′, met ʼAdho·nai′ in het mv. ter aanduiding van uitnemendheid en derhalve weergegeven met „Soevereine Heer”; T: „Jehovah God”; Sy: „de Heer der heren”; Lat.: Do′mi·nus De′us; Luther (Duits, 1534): der HErr HERR, „de Heere HEERE [Jehovah]”. Deze uitdr. komt voor het eerst voor in Ge 15:2 en komt in Ezechiël 217 maal voor. Zie App. 1E.